In deze editie van Flemish Review de la Poëzie vind je:
Aankondiging zine-publicatie: Poëziemachine. Teksten van & naar Paul Nougé.
De Brusselse dichter en essayist Paul Nougé (1895–1967) speelde honderd jaar geleden een hoofdrol in de doorbraak van het Brusselse surrealisme. Toch werd hij grotendeels vergeten, zeker in Vlaanderen en Nederland.
Poëziemachine, een publicatie van Flemish Review de la Poëzie en het zine-label Marktcorruptie, brengt daar verandering in.
Astrid Dewaele en Ewoud Goethals vertaalden de belangrijkste poëticale teksten van Nougé naar het Nederlands en vier auteurs - Pelumi Adejumo, Vincent Van Meenen, Marlena Tokarska en Veva Leye - reageerden met nieuw creatief werk. Daarnaast schreef Matthijs de Ridder over de literaire en artistieke context waarin Nougé zich bewoog en zorgde Elen Braga voor beeldend werk.
Poëziemachine werd op 100 exemplaren gedrukt in Gent en is met de hand genaaid. De zine bestellen kan voor €12 (plus verzendkost) door een mailtje te sturen naar flemishreview@gmail.com of marktcorruptie@gmail.com.








Een voorpublicatie uit de roman Tekst en uitleg
door Leon Verraest
Inleiding
Als je eigen taal en stem vinden deel uitmaakt van opgroeien, hoe doe je dat te midden van de zwijgzaamheid van de arbeidersklasse? Hoe doe je dat als je moedertaal een dialect is voor tweederangsburgers, de standaardtaal jou vreemd is en spreken en taal gebukt gaan onder schaamte? Anderzijds: wat als het je lukt? Wat dan met jouw lieve moeder? En de hare? Wat met de taal die zij jou gaven? De stilte?
Tekst en uitleg is het coming-of-ageverhaal van een West-Vlaams meisje dat in de jaren 1990 en begin 2000 opgroeit met haar moeder in een sociale woonwijk op de taalgrens. Of – bekijk het zoals je wilt – in de fictie. In een of ander volksverhaal. In een dorp waar uit de diepten van de rivier een magische mist opstijgt. Een Leiedorp vol raadsels, gezangen en rituelen, vol schimmige voorouders en moevertelde fabels. Een plek waar het zoeken is naar woorden. Tekst en uitleg is een roman over de macht en het geweld van normen en (taal)grenzen en een reflectie op leren, groeien en anders-zijn. Het boek is fragmentair opgebouwd uit minihoofdstukjes.
Het onderstaande fragment, hoofdstukjes 22 tot en met 32, koos ik uit voor Flemish Review de la Poëzie. Toen ik andere fragmenten op het podium deelde, was het mooiste wat daaruit voortkwam, de verhalen uit het publiek. Als je zelf zo’n verhaal hebt, over taal/spreken en schaamte, of je ziet potentieel in mijn tekst voor het podium, wil ik van je horen. Dat kan op leonverraest@gmail.com.
Noot: ’t Geniep is een café in sociale woonwijk ’t Terezeke, waar het hoofdpersonage opgroeit. ‘Preus’ in het West-Vlaams betekent ‘trots’, ‘keirne’ is ‘was(beurt)’, ‘sémewordu’ slaapwel. Sémewordu. De droom begint.
22
Tante Tiens mond stond nooit stil. Uw moeder zei dat: ‘Haar mond staat nooit stil.’ ‘t Was waar. Ze had dikwijls karamellen mee, of madeleinen, die ze dan voor ’t grootste deel zelf opat, soms nog vóór het eten. Tante Tien was rond, blond en gezond, zei ze. ‘Uw mond staat weer niet stil,’ zei uw moeder. Als tante Tien niet zat te knabbelen, zat ze te tateren, ‘t was een echt tatergat. Uw moeder zei het dikwijls als ze weer weg was, en hoe ge dat zegt in ’t West-Vlaams, dat iemand veel tatert en veel lawaai maakt, hebt ge altijd heel toepasselijk gevonden voor tante Tien. Leev’n od’n, zegt ge daarvoor in ’t West-Vlaams: dat iemand veel leven houdt. Ze kon ook echt luid lachen, en dan zat gij op den duur soms even luid mee te lachen—dat kon plots als zij daar was—en omdat ze zo zat te wrikkelen en te gebaren, begondt gij ook meer te bewegen, of toch gemakkelijker. Precies of uw armen en benen werkten een beetje beter. Precies of ze konden plotser in meer richtingen gaan. Terwijl ge gewoon aan tafel zat in de keuken gelijk anders, superraar. Maar uw moeder had juist hetzelfde. Met haar eigen armen en benen. Ge kondt dat schoon zien. Ze mocht nog honderd keer met haar ogen draaien.
❦
23
Een lijstje van uw favoriete vragen:
‘Wat is dat?’
‘Waarom?’
‘Wat wil dat zeggen?’
‘Hoe komt dat?’
‘Waarom niet?’
‘Van waar komt dat?’
❦
24
Uw moeders favoriete antwoorden:
‘Daarom.’
‘Daarom niet.’
‘Omdat ik het zeg.’
‘Curieuskeneuz’n en vroagsteirtjes.’
❦
25
Ge vondt het jammer dat ge niet te curieus mocht zijn en de mensen met rust moest laten, maar deedt uw best. Het toffe aan tante Tien was dat ze zelf soms één van uw favoriete vragen stelde en er direct antwoord op gaf. Als uw moeder naar de Aldi was, of naar de Lidl, dan deed ze dat dikwijls. Uw moeder profiteerde ervan de zaterdag om de grote commèshen te doen met tante Tiens auto. Ze was daar op zijn minst een halfuur zoet mee. Een halfuur dat gij helemaal alleen waart met uw tante Tien.
❦
26
‘Weet ge van waar dat komt?’ vroeg tante Tien als ge u eens verslikt hadt in uw melk en uw moeder gezegd had: ‘moandags’oestje?’
Ge hadt u welgeteld al nul keer afgevraagd van waar dat kwam. De mensen zeiden dat gewoon als er iemand hoestte: ‘maandagshoestje’. Terwijl het dan soms dinsdag was of zo. ’t Was om te lachen.
‘t Kwam van toen ze nog in ’t vlas werkten, zei tante Tien. De mensen moesten daarvan hoesten. Van de machienen. Omdat er zoveel stof uitkwam. De zondag was ’t een beetje beter omdat ze niet moesten werken, maar dan was ’t dubbel zo erg de maandag. Ge hadt veel vraagstaartjes op dat moment en probeerde ze nog in te trekken, maar ’t was te interessant, ‘t was te laat. Waarom gingen de mensen niet gewoon naar de dokter? En kochten ze geen hoestsiroop? En bleven ze niet thuis tot ze beter waren? Dat hebt ge er allemaal uitgeflapt. Terwijl ge goed genoeg wist dat het bijna ’t einde van de maand was en ze de grote commèshen nog moest doen, uw moeder. Later was dat beter, maar op dat moment werkte ze nog maar juist voor meneer Jean. ’t Was altijd kantje-boord op ’t einde van de maand.
Ze zat direct op haar paard. Over de jonge gasten die nergens meer tegen konden en dat dat overal ’t zelfde was, op haar werk ook, ze niesden twee keer en moesten naar huis in de zetel gaan liggen. ‘Dat is nu nog ’t toppunt!’ riep tante Tien, even luid als uw moeder, want als één van de twee omhoogging, ging de andere altijd mee. ‘Moedre kon er ook niet tegen pertank! Achteraf gezien! Ze lag toch ook—’
Ge wist wat ze ging zeggen.
‘Ze lag toch ook dood op de koer!’
Ze zei dat altijd.
‘Aan stoflong!’
Altijd met ‘stoflong’ erbij. En haar leeftijd.
‘Eenenveertig jaar osteblieft!’
Soms zei ze dan ook nog haar eigen leeftijd, en de leeftijd van uw moeder – dertien en veertien jaar – en dat het met moeite twee weken was nadat ze eindelijk in haar proper nieuw huis zat. Maar die keer niet. Die keer zei ze dat uw moeder geen haar beter was en dat ze ook al dood moest vallen tegen dat ze het verstand had om naar den docteur te gaan. Uw moeder zei dat ze daar niet voor was, om de vijf voeten naar dien docteur. ‘Nink!’ riep ze, en schudde geweldig met haar hoofd en zei dat tante Tien nog een karamel in haar mond mocht steken. Dat ze een beetje zweeg.
❦
27
’t Was wel niet gelogen, van tante Tien. Als uw moeder niet goed was, spuugde ze een dikke fluim in haar zakdoek, stak de zakdoek in haar mouw en vertrok naar ‘t buskotje. Ze kon op één hand de keren tellen dat ze niet gaan werken was. Zelfs over meneer Jean, haar baas, over wie ge anders geen kwaad woord mocht zeggen, maar als hij een vallingske had, och-God-och-Here, dat was toch altijd ‘t einde van de wereld. Zo’n tjir geval dat dat was! Maar ‘t was niet te verwonderen, hij was vel over been. Ge kondt hem door ’t gotegat trekken. Een windeke en hij lag omver. Ze had u voorzeker ook al vijf keer verteld dat hij altijd met de lift ging in plaats van met de trap. ‘Voor twee verdiepen!’ En over die vergadering dat hij zelf de papieren voor iedereen aan mekaar had willen nieten, en zelf de projector naar beneden had willen dragen, daar had ze toch ook naar moeten kijken. Slim al wat ge wilde, maar poten aan zijn lijf—
❦
28
Op tv maakten ze soms moppen over vrouwen. Dat ze altijd bezig waren met hun uiterlijk en niets konden met hun handen. Dan was dat bij uw moeder en meneer Jean toch omgekeerd, amai. Ge waart eens bij meneer Jean thuis geweest. Na uw plechtige communie. Om u te gaan tonen. Maar gelijk hij daar zat, in zijn hemdeke en met zijn haar in de gel—precies of hij was zelf ‘t communicantje. ’t Enige dat gij uw moeder ooit in de spiegel zaagt doen, was haar haar kammen, wat nooit lang duurde omdat ze zoveel macht had. De rest was voor de chi-chi-madammen die dachten dat ze ‘k weet niet wat waren. Die pretentie hadden. Als ge ergens uw handen stondt te wassen, keekt ge overal elders dan in de spiegel, ook als ge juist van de kapper kwaamt of later soms een puist hadt. Omdat ge nooit wist wie er binnen kon komen. En zelfs als er niemand binnenkwam: God zag alles wat ge deedt, had juffrouw Rika gezegd. Het lichaam was zondig, had ze gezegd. Het was een kerker. Het lichaam was, als ge het goed verstaan hadt, een zondige kerker waarin ge moest wachten op de Bevrijding in de vorm van het Hiernamaals. Het Hiernamaals was het echte leven. Jezus, had juffrouw Rika gezegd, was Jeruzalem binnengereden op een ezel.
En ze hadden Hem ontvangen als een koning.
❦
29
Moedre was de mama van uw moeder en tante Tien. Omdat ze doodlag op de koer aan stoflong aan eenenveertig jaar, hebt ge haar nooit gekend. Maar volgens hetgeen ge verstaan hadt, moest ge u alleszins geen moeder voorstellen gelijk de uwe. Een Moedre was toch nog iets anders. Ge gingt elders gevlogen hebben, gij, met uw kinderachtigheden. Bij een Moedre moest ge daar niet mee afkomen.
Ze zat nooit ofte nimmer op haar gat, Moedre. Zo hard als zij werkte en zoveel miserie als zij gekend had—uw moeder en tante Tien hadden er gene lap aan. Ze ging over de grens vlas gaan slijten, Moedre, en dat waren nog anderske dingen dan te gaan kuisen of een beetje aan den band staan. Tante Tien had er niet van gedroomd om daar ‘mama’ tegen te zeggen. Nooit van haar leven had uw moeder daar een zoen van gekregen. Ne wup kondt ge krijgen, als ge stommiteiten deedt.
En ze had gelijk ook, vonden ze alle twee heel luid.
Wat uw moeder er echt van vond, wist ge niet met zekerheid omdat ze daarover sprak gelijk ze zei dat ze nooit thuisbleef van ’t werk: luid altijd. Maar of het goed-luid was of slecht-luid wist ge niet, want ze klonk preus en kwaad tegelijk. Op zo’n moment moest ge best niets bijvragen, maar ge wist niet wat ‘slijten’ was en vroegt u ook af of Moedre Frans kon dan, als ze over de grens ging om vlas te slijten. Ge wist dat tante Tien het zo jammer vond dat ze dat niet kende, Frans. Uw moeder was juist begonnen met lessen. Gij moest nog een beetje wachten, had juffrouw Veerle gezegd, tot in de vijfdes. ‘Allez,’ dacht ge, ‘eentje van de twee. Voorzichtjes.’ Ge liet het slijten links liggen en vroegt voorzichtjes of Moedre Frans kende dan. Dat deed uw moeder zuchten. ‘Vlasfrans, hé,’ zei ze. Ze beet weer op haar onderlip. ‘Juust genoeg om orders te krijgen.’ Ze stond recht en haar stoel lag bijna om. Ze was al in de garage als ze riep dat ze de keirne in ging steken. Tante Tien keek naar de pot mayonaise. Een pot van Regalo met een citroentje op. Dan kreeg ze kleine lichtjes in haar ogen. ‘Heb ik u nooit verteld van die Franse soldaten?’ vroeg ze. Ze bepotelde haar collier. ‘Van in den oorlog?’
Ze leunde voorover tot haar borsten plat op tafel lagen.
❦
30
Er hadden, tijdens de oorlog, toen Moedre nog klein was, Franse soldaten gezeten in ’t huizeke aan de Leie. Die dikwijls ’t zelfde liedje zongen. Over nen André. De vader van Moedre noemde André, zei tante Tien. ‘t Was juust dezelfden gelijk uw eigen vader. Ze kantelde haar duim en wijsvinger om te doen alsof ze van een dreupelglazeke dronk. Uw vader was gestorven toen ge twee jaar oud waart, aan kanker. Er bestonden foto’s waar hij u vasthad, maar ge wist daar niets meer van. Erg vondt ge dat niet. Vaders waren niet zo tof als moeders. Ze zaten altijd in ’t Geniep in plaats van thuis. Moedre had haar vader André ook nooit gekend, zei tante Tien. Ge dacht dat hij misschien ook gestorven was aan kanker, maar blijkbaar niet. Tante Tien moest lachen als ge ’t vroegt. Hard, maar heel kort. ‘Nej, jonk!’ zei ze, André had bij haar weten een schoon lang leven gehad. In ’t leven stond ge er alleen voor. Ge moest dat onthouden. Ge dacht efkes dat ze in slaap viel met haar ogen open, maar ze schoot direct weer wakker, sloeg met haar hand op tafel en zei dat het vaneigen niet over André was dat die Franse soldaten zongen, dat was te peizen. ’t Was een liedje van Rina Ketty, ‘J’attendrai,’ over een vrouw die zit te wachten op hare vent. Maar Moedre kende geen Frans en had er dus haar eigen versie van gemaakt.
Zat’n André toujours
Ton retour
❦
31
‘Zing’n en skuffel’n’ zei Moedre blijkbaar als er iemand tegen haar begon in ’t Frans. Dat ze in ‘t Frans zogezegd alleen maar kon zingen en fluiten. Ge moest dat in zijn tijd zien, zei tante Tien. ‘t Waren niet alleen de Franske vroeger: de rijke Vlamingen spraken ook Frans. De notabelen en de bazen. Heel vroeger kondt ge op ’t gemeentehuis zelfs uw papieren niet doen in ’t Vlaams. Vlaams was goed genoeg voor de boerkes. Voor de arme mensen om thuis te klappen, dat was ál.
Ge vondt dat interessant omdat ge tot dan dacht dat dat simpel was, de taalgrens. Een streep gewoon. Met Vlaams vanboven en Frans vanonder. Maar dan was ’t nog te zien hoeveel geld ge hadt. Ge dacht dat het voorzeker niet praktisch was dat de mensen hun bazen en papieren niet konden verstaan, maar in catechese had juffrouw Rika eens gezegd dat de mis in ’t Latijn was vroeger, dus ja. Ge hadt iets willen vragen, maar uw moeder was terug van de garage en tante Tien had op tafel geslaan en geknipoogd en was naar de wc vertrokken.
Zo’n mooi hobbelend woord, ‘notabelen’.
Gelijk pony’s op de kermis.
Of op uw moeders knie als ge nog klein waart, hup en hup, op en neer.
Dat moest geestig zijn, notabelen zijn.
❦
32
Ge voelde u wel een beetje beschaamd als ze dat allemaal verteld hadden over Moedre. Want gij mocht wel ‘mama’ zeggen. En als uw moeder niet de late had, en ge waart klaar met uw tanden te poetsen en uw pyjama aan te doen, dan moest ge haar roepen. Dan kwam ze naar boven om sémewordu te zeggen en een kruiske te geven en ’t licht uitdoen. In de keuken legde ze soms een hand op uw schouder. Als ge bezig waart met uw huiswerk en ze passeerde achter u. Eén keer had ze u zelfs geaaid. Gelijk een hondje. In de grote vakantie eens.
❦
Doris Kuijpers, kamer 002, afdeling dementie, woonzorgcentrum Japonica
door Lander Govaerts
Balba.
Dit is mijn woord.
Vergeet het niet, kind.
Het woord is balba.
De kat weet het.
Ik weet het.
Hoe lang onthoudt de kat mijn boodschap?
Mijn dochter moet dit horen voor ik slaap.
Balba.
Mijn kind mijn woord voor jou voor later.
Ik geef haar wat ik van mijn moeder kreeg.
Een woord van hoog daarboven.
Ik ontwar mij in jou.
Balba.
De matras ontwaakt.
Variabele wisseldrukcycli herschikken mijn bedkleverige lijf.
Aan mijn benen zitten een paar loodrecht ingeschroefde pikkels.
Twee voettieten steken uit de sprei.
Achter het massief, een langharige raskat met witte oorpluis en kokette snoet.
Ik wil strelen dat bandietje.
Moet mijn hoofd te slapen leggen op zijn buik.
De kat is een alpinist, free solo over de Matterhorn.
Mijn linkervoetzool jeukt.
Krab jij snuffelsnuit.
Balba is mijn teken.
Een slingerende hand door een roedel wolken.
Hop van mijn bed met je pierewietestinker.
Huisstofmijtbroertjes schommelen lachend tussen de kattenharen.
Geen longverterende parasieten in mijn woonunit.
Ik wil een straatkat zonder huisstofmijt.
Waar is je paspoort?
Identificeer jezelf.
Balba.
Nog even.
Dan ontwaakt mijn dochter.
Zij moet weten waar te kijken wanneer ik mijn teken geef.
De kat van verpleger Mike ruikt naar de kontseks van zijn baasje.
Zijn slakvlezig lulletje drupt op de mij onderstoppende lakens.
De grenzen van het aanvaardbare zijn overschreden.
‘Hasjimiauw’, niest de poes.
Huisstofmuiterij.
Het rovertje is allergisch.
Mijn woord is balba.
Ik spel het op de vingers van mijn beide handen.
B – A – L – B – A.
Het is 1951.
Moeders plaggenhutje tegen de Duitse grens rijst op uit de zomp.
Zo mooi is het daar tussen de knagertjes in het riet onder de sterren.
Mijn dochter trekt een pruillip wanneer ze slaapt.
Andermaal keert mijn matras zich tegen mijn doorligwonden.
Een nat neusje houdt zich op aan mijn voeten.
Alpinisten moeten ten allen tijde droog zien te blijven.
Bel de helikopter.
Geen streepje bereik in dit bergenland.
De kat zal doodvriezen.
Stervend aan dysenterie en een loopneus.
Het is 1953.
Mijn moeder is koud geworden en ik doe mijn jas aan.
Een windhoos trekt de deur achter me toe.
Ik verbrand haar lijf haar hut in het ven.
Moeder zei me ik ben bij anser rossii.
Het is winter.
De slotgracht is dichtgevroren.
Ik laat mijn schaatsen achter op de oever.
Met gepakte zak zet ik koers naar het station van Coevorden.
Een bakkersjongen rolt een dampende broodkar de buitenlucht in.
Verbrande lokomotiefkool mengt zich met pruimengebak op de perrons.
Opverende kattenbekken duwen een rustende aars boven het laken.
Coevorden is heropgebouwd in de aars van Mikes’ raskat.
Ik zwaai de vesting en haar dubbele stervormige stadswal gedag.
Er zit een kat op mijn bed.
Ik weet wat dat betekent.
Agnes, George en Maria, het ga hen goed en vredig.
Bij alle drie verscheen de kat net voor ze stierven.
Ik wil met je spelen.
Arme raskat, getuige van kontseks.
Zijn neusje moet nodig gedept worden.
Bal-ba is het woord.
Mijn dochter ronkt zachtjes in de fauteuil.
Ze heet balba.
Nu niet.
Later.
De taak die ik haar zal geven heet balba.
Zoek, mijn meisje.
In Weiteveen, bij Coevorden.
Bij mama.
Daar zal ik zijn.
Ben ik bijna.
Katten moeten verboden worden op de afdeling.
Verplegers in het bezit van een raskat zullen worden opgelijst.
Waar is mijn dochter?
Ze moet maatregelen treffen.
Die kat kan zijn poten niet thuishouden.
Miauw tot je baasje je hoort, jij krollekrabbertje.
Wanneer mijn meisje mijn woord vindt zal ik bij haar zijn.
Zoals ik bij moeder was.
Niet in 1953.
Pas zoveel later.
Toen ik mezelf samen met mijn sleutelbos terugvond.
Anser rossii.
Mijn moeders woord mijn opdracht.
Waar blijft die helikopter?
Het is 1953.
Station Coevorden heeft geen anser rossii.
Een trein neemt me mee naar het zuiden.
Ik keer terug op moeders stappen.
Erop vertrouwend dat de bodem na al die jaren nog iets van haar sporen draagt.
Leer Canadees, zegt de ganzenkweker van Weiteveen.
Anser rossii houden niet van Hollandse slotgrachten.
Over de grote plas moet je gaan.
Balba
Daar wonen ze.
Ik stap af in Brussel.
Een bus vol smoezen leidt me het ommeland in.
Wat is mijn dochters woord mijn teken voor later?
Iets met een aaa.
De bus zet me af op een plein met ongelijke huisjes.
Een oude man met een bol buikje neemt me binnen.
Hij slaat me niet.
BA-L-BA.
Ik trouw zijn zoon.
Een afvallige gans.
Anser rossii, mijn moeder mijn gelofte.
Het is 1971.
Ik ben mijn veren kwijt.
Ze kleven aan de vlammen van haar lijf haar hut.
Mijn moeders verkoolde vennebotten zijn turf geworden.
Kan ik niet één woord onthouden?
De koude zit onder mijn jas.
Denk.
Ik hou niet van de geur van een kachel vol moederturf.
Bumbalu!
Ja dat is het.
Die kat blijft zijn eigendomsakte met stamboom aan me opdringen.
Bederf waadt uit zijn krolse strot.
Ik krijg de rits niet open.
Het is 1976.
Ik loop weg, draag mijn kind onder mijn oksel.
De buurvrouw rijdt me naar tochtgat Noordzee.
Er staat een bungalow op het strand.
Een man met een verrekijker verwacht me.
Ik adem in.
Hij zal me niet verlaten.
De deur opent.
Mijn dochter speelt met berkenschors naast de broeierige stoof.
Ik kruip onder het beddengoed.
Het is 1978.
Mijn dochter wil het strand openleggen tot aan de kern van de aarde.
Ze start de graafwerken.
Een potje vanille-ijs met chocoladeschilfers trekt haar aandacht.
De werken worden voor onbepaalde duur gestaakt.
Ik zak weg in haar bouwput mijn ligstoel.
Mijn lippen sussen de hals van de man met de verrekijker.
Ik dommel in.
Een windverplaatsing kietelt de sprietjes boven mijn lip.
Ik schuif mijn oogleden traag open.
Kîk-kîk-kîk.
Pladijspootjes landen in het zand.
Daar sta je dan.
Poepschuddend.
Zwarte vleugeltoppen en een rode snoet.
Aan de rand van mijn bouwput de wereld.
Anser rossii.
Anser rossii.
Haar gans mijn woord mijn teken.
Een wolk breekt in ongelijke delen.
Ik zwaai terug.
De gans spreidt haar vleugels en vliegt de plas over.
Ze heeft woord gehouden.
Bal-ein.
Dat is mijn woord.
Denk ik.
Heb ik een dochter?
Zij moet dit weten.
Uit de zonnekont van de raskat piept een levenslustig wormpje.
Vette witte spikkel, zo wriemelen naar het licht.
De kattenaarsmade landt halverwege de bergflank.
Zwoegend bereikt hij de top.
Bel de autoriteiten.
Een poepworm heeft de Matterhorn overwonnen.
Ik zei het toch, vertrouw geen raskatten.
Ze helpen valsspelers bij het beklimmen van bergtoppen.
Ik wil een ontwormd vechtertje uit het asiel.
De made heeft door dat ik zijn overwinning niet zal erkennen.
Dat ik hem niet geven kan wat hij zoekt.
De worm dondert de voettiet af.
Hij leeft nog, zet koers richting mij.
Waag het niet wittekop!
De kat schrikt en stormt de unit uit.
Raskatten zijn aarsmadegevoelig door circulerende kweekziektes.
B-A-L-B-A.
Er ligt een indringster opgekruld in de fauteuil naast mijn bed.
Een zwart krullig sproetenwezen met een op-en-neer dobberende borst.
Ze opent haar ogen.
Irissen van hazelnootjes kijken me aan.
Ze richt zich op naast mijn bed, legt langzaam haar hand op mijn buik.
Lippen naderen.
Ze helt over.
Hulp!
Iemand wil me beroven van mijn woord.
Scheer je weg, stuk onbenul!
Ze zoent me diep en lang op mijn voorhoofd.
Haar tranen kietelen mijn gezicht.
Ik hap een streep vlees uit haar wang.
Ze gilt.
Gehavend snikkend rent ze de kamer uit.
De inbreker zal niet terugkomen.
Ik ben veerkrachtig.
Vanop het nachtkastje trekt een ingelijste foto mijn aandacht.
Een zwart krullenkopje lacht me zorgeloos toe.
Onder de foto wat letters.
B-r-i-g-i-t-t-e
Een lange geeuw glipt door mijn tanden naar buiten.
De matras aapt mij na.
Nog letters.
D-o-c-h-t-e-r
Balba!
Heb ik een dochter?
Vanop de gang sluipt een raszuiver miauwtje door een kier naar binnen.
Waar is mijn dochter?
Nageltjes slijpen zich scherp aan het goedkope oranje deurhout.
Mijn dochter moet naast me liggen.
Piepend zwaait de deur open.
Mike’s raskat trippelt de kamer weer binnen.
Zuiver is zijn ziel zijn herkomst.
‘Een vak zonder vakbibliografie is geen wetenschap’. Een gesprek met de BNTL.
door Mathijs Tratsaert
In het najaar van 2025 kondigde de Vlaamse regering een reeks besparingen aan die heel wat wetenschappelijke, culturele en sociaal-culturele organisaties zwaar trof. Veel inkt vloeide over het MuKHA, dat, althans voorlopig, gered blijkt. Andere organisaties kregen minder aandacht en dreigen te verdwijnen of tot een schim van zichzelf te worden herleid.
De komende maanden publiceert FRP enkele interviews met literaire organisaties en initiatieven die bijzonder hard getroffen werden. Het doel van deze gesprekken is om nauwkeurig te documenteren wat onze samenleving met deze besparingen verloren laat gaan, niet enkel in beleidstaal of cijfers, maar ook in concrete verhalen over wat deze organisaties doen, voor wie, en waarom dat belangrijk is. Pas als duidelijk is wat er precies op het spel staat, kan het maatschappelijke debat over de besparingen op een onderbouwde en adequate manier worden gevoerd.
We gingen eerder al in gesprek met de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren (KANTL), die in 2027 mogelijk ophoudt te bestaan. Voor dit tweede interview zat FRP-redacteur Mathijs Tratsaert samen met de mensen achter de Bibliografie van de Nederlandse Taal- en Literatuurwetenschap (BNTL): Eva De Cooman (coördinator), Carl De Strycker (oud-coördinator en professor Nederlandse letterkunde), en Hubert Meeus (voorzitter van het bestuursorgaan van de vzw Centrum voor de bibliografie van de Neerlandistiek en emeritus professor Nederlandse letterkunde).
De Vlaamse regering besliste om de jaarlijkse subsidie van €150.000 aan de vzw achter de BNTL volledig stop te zetten. Deze beslissing betekent in de praktijk het einde van de organisatie en van de BNTL.
Mathijs Tratsaert: Eva, Carl en Hubert, veel dank om met ons in gesprek te willen gaan. Wat is de BNTL precies?
Carl De Strycker: Het is een databank waarin alles wordt bijgehouden dat verschijnt over Nederlandse taal- en letterkunde. Het is het basisinstrument voor elke neerlandicus, of je nu een student bent die een masterthesis schrijft of een ervaren onderzoeker. Je vindt er de relevante secundaire literatuur over je onderwerp.
Hubert Meeus: De BNTL bestaat sinds de jaren zestig en biedt dus een volledig overzicht van zo’n zestig jaar publicaties. Door de bronverwijzingen in die publicaties kun je bovendien terugwerken naar oudere teksten. Als je in de BNTL kijkt, kan je met andere woorden gerust zijn dat je niets over het hoofd had gezien en dat niemand anders je onderzoek al heeft gedaan. De BNTL voorkomt dat je het warm water opnieuw uitvindt.
Carl: Dat is niet alleen voor Vlaamse en Nederlandse onderzoekers onmisbaar, maar ook voor de internationale neerlandistiek, omdat je vanuit het buitenland minder zicht hebt op wat er in het taalgebied verschijnt.
Mathijs: Wat maakt de BNTL als instrument anders dan een zoekmachine?
Hubert: Je kunt veel efficiënter zoeken. Als je in Google een zoekterm invoert, dan krijg je een lijst met websites waar die term in voorkomt. Stel dat je onderzoek doet naar Conscience, dan krijg je ook teksten te zien met zinnen als ‘hij leefde in de eeuw van Conscience’, ook al staat er in de rest van dat artikel niets over Conscience. Het is dus heel inefficiënt om zo te zoeken. De BNTL werkt anders, omdat elk artikel in de database door een medewerker is gelezen die zich afvraagt: ‘Waarover gaat dit eigenlijk?’ en het dan labelt met de relevante zoektermen. Er wordt dus een inschatting gemaakt: staat hier echt relevante informatie over Conscience of niet? Bij de BNTL weet je: als hier een artikel staat met Conscience als trefwoord, dan is daar ook iets interessants over Conscience te vinden.
Mathijs: Dat vereist iemand die zeer vertrouwd is met het vakgebied van de neerlandistiek, anders kan je die inschattingen niet maken.
Carl: Inderdaad. Wat ik er nog aan wil toevoegen is dat de BNTL ook volledigheid garandeert. Als je op Wikipedia de pagina van een schrijver raadpleegt, dan zie je daar natuurlijk ook heel wat secundaire bronnen, maar lang niet alles. De BNTL biedt dat wel.
Eva De Cooman: Momenteel staan er zo’n 150.000 items op de website, en aan de andere 150.000 zijn we nog bezig. Iets meer dan een derde van die bronnen is online beschikbaar: je klikt op ‘online toegang’ en komt meteen bij het artikel uit. Wat de BNTL ook onderscheidt, is dat alles doorklikbaar is via trefwoorden. Stel: je leest een artikel over toponymie in Brakel. Aan dat artikel hangen trefwoorden zoals ‘Brakel’ en ‘toponymie’. Klik je op ‘Brakel’, dan krijg je meteen alle items die met die plaats te maken hebben. Zo kan je heel breed of net heel specifiek zoeken, en stuit je vaak op materiaal waar je niet gericht naar op zoek was.
Carl: De BNTL is dus thematisch, methodologisch en op auteursnaam ontsloten. Je kunt zoeken op ‘Bourdieu’, op ‘Claus’, op ‘vriendschap’ of op ‘muziek in de literatuur’, en telkens andere ingangen vinden. Dat lukt niet via Google: zoek je daar op ‘muziek’, dan zakt de moed je in de schoenen. De BNTL laat je heel secuur aan wetenschappelijk werk beginnen.
Hubert: Zonder de BNTL ben je wekenlang in de bibliotheek op zoek naar teksten waarvan je niet eens weet of ze bestaan. Bovendien verhoogt het de kwaliteit van het onderzoek en de discipline als geheel, omdat je zo met zekerheid weet wat er bekend is over een onderwerp en of je er zelf nog iets aan kunt toevoegen.
Mathijs: Er zitten ook veel papieren bronnen in de BNTL, die je via Google niet vindt omdat ze nooit zijn gedigitaliseerd.
Carl: Dat klopt. Voorlopig niet gedigitaliseerd, of misschien wel nooit. Een goed voorbeeld zijn de heemkundige tijdschriften. Veel mensen doen dialectonderzoek of taalkundig onderzoek vanuit heemkundig standpunt, en dat verschijnt in heel kleine tijdschriftjes. Dat is vaak zeer gespecialiseerd en bijzonder waardevol werk, maar wie aan een universiteit met dat materiaal aan de slag wil, vindt het normaal nooit terug. Via de databank wel. Komen ze ooit online? Ik vrees van niet. Maar via de BNTL zijn ze in elk geval zichtbaar en vindbaar.
Eva: We linken ook door naar de bibliotheek, waar die papieren bronnen bewaard worden. En eens je weet waar een bron zich bevindt, kun je daar altijd een scan opvragen.
Mathijs: Ik denk dat we intussen een goed beeld hebben van wat de BNTL is en waarom ze waardevol is. Laten we het hebben over de beslissing om jullie middelen te schrappen. Hoe is de communicatie met het kabinet verlopen?
Hubert: Wij hebben per toeval vernomen dat onze subsidies volledig worden geschrapt. Iemand van ons bestuur liep op een receptie een politica tegen het lijf, die zei: ‘Ja, het is wel erg dat jullie geen subsidie meer krijgen.’ Maar wij vielen compleet uit de lucht. Ook daarna is er nooit een mail of telefoontje van het kabinet of het ministerie gekomen. Er was dus geen communicatie of overleg.
Mathijs: Dat is bijna niet te geloven.
Eva: Zo is het jammer genoeg wel. We hebben nadien het ontwerp van het decreet opgezocht dat die beslissing ratificeert. Daarin staat dat ‘de subsidies worden stopgezet omdat er geen budget meer voorzien is in de begroting’. Maar een verantwoording is nergens te vinden.
Hubert: Wij kunnen dus niet onderhandelen, want er is geen communicatielijn en er zijn ook geen argumenten om te weerleggen.
Carl: Terwijl er in het verleden natuurlijk wel is gecommuniceerd, want wij moeten jaarlijks werkingsverslagen indienen. De reacties daarop vanuit het kabinet waren altijd positief, dus er was geen enkel signaal dat dit kon gebeuren. De beslissing is, naar ons aanvoelen, zonder kennis van zaken genomen.
Mathijs: Waarvoor gebruikten jullie het budget?
Hubert: Vooral om Eva en Lisa, de coördinator en de medewerker, te betalen.
Mathijs: Welke argumenten hadden jullie het kabinet kunnen geven, indien ze jullie aan tafel hadden uitgenodigd?
Hubert: Wij hebben net een periode van vernieuwing achter de rug. Een groot deel van onze dagelijkse werking bestond de voorbije twee jaar uit het opzetten van een nieuwe website en het overzetten en veiligstellen van de data van de oude website. Nu dat is volbracht, kunnen wij met een kleiner subsidiebedrag blijven bestaan. Daarom is het zo’n zonde dat er ons niets is gevraagd.
Mathijs: De beslissing om jullie subsidie te schrappen zal op lange termijn zeer duur uitvallen, want zonder de BNTL moet elke individuele onderzoeker tijdrovend bibliografisch onderzoek uitvoeren voor het eigenlijke werk kan beginnen. Dat kost de universiteiten veel mensuren en dus heel veel centen.
Carl: Inderdaad. De BNTL biedt een niet te berekenen — en dat is waarschijnlijk het probleem — besparing van tijd en dus middelen voor toekomstig onderzoek. Maar we hebben dus niet de kans gekregen om dit uit te leggen. Het werk dat we verrichten is grotendeels onzichtbaar, maar van fundamenteel belang. Zoals een collega het zei: een vak zonder vakbibliografie is geen wetenschap. De neerlandistiek staat al enorm onder druk. Als je ook nog de vakbibliografie weghaalt, hoe moeten wij dan wetenschap bedrijven? Dat is de basis, het startpunt.
Mathijs: Voor de duidelijkheid: dit is het einde van de BNTL?
Carl: Ja, het is de doodsteek. Binnen een paar maanden is het geld op. Zo simpel is het.
Hubert: De database en website vinden wel onderdak bij de Koninklijke Bibliotheek. Voor de infrastructuur is er dus een oplossing, maar aangezien de database niet langer kan worden aangevuld, wordt het een retrospectieve bibliografie. We zullen dus kunnen zeggen: vanaf het jaar 1965 tot het jaar 2025 hebben we alle gegevens. Wat daarna is verschenen, weten we niet.
Mathijs: De financiering van de BNTL gebeurde via de zogeheten ad nominatim-subsidies. Dat zijn bedragen die de minister persoonlijk toekent, zonder tussenkomst van een commissie of een ander beslissingsorgaan. Onder de huidige Vlaamse regering is het zeer duidelijk geworden dat dit systeem organisaties kwetsbaar maakt voor politieke willekeur en onkunde.
Carl: Het ad nominatim-systeem is fantastisch zolang je geld krijgt: de administratieve last is laag en je verliest als organisatie geen tijd met subsidie-aanvragen. Maar zodra er bespaard wordt, ben je een vogel voor de kat, want de minister hoeft geen procedures te volgen om je subsidie te schrappen. Het andere systeem, met commissies en experts, heeft meer checks-and-balances, maar is administratief veel zwaarder.
Hubert: Ad nominatim-subsidies waren een goede oplossing voor organisaties die niet duidelijk onder één beleidsdomein vallen. Voor de BNTL was dat het geval: het valt tussen onderwijs, cultuur en wetenschap in.
Mathijs: Dan moet er duidelijk worden nagedacht over een beter systeem voor dat soort organisaties. Stel dat we binnen vijf jaar een cultuurkabinet krijgen dat de BNTL wel opnieuw wil ondersteunen, kunnen jullie de draad dan gewoon weer oppikken?
Eva: Op technologisch vlak zou een herstart in principe mogelijk zijn, want alles is nu conform open data en open access, en voldoet aan de metadatastandaarden. Vroeger was data heel statisch, terwijl ze nu uit elkaar getrokken is in verschillende bouwstenen die je op verschillende manieren kunt hergebruiken.
Hubert: Het probleem is dat als je binnen vijf jaar op die beslissing terugkomt, de investering om alles weer aan de praat te krijgen veel groter is dan wanneer je continu kunt doorwerken. Met een vrij beperkte financiële injectie kun je het voortzetten: je hebt de knowhow en je hebt de mensen die weten hoe het werkt. Laat je de databank vijf jaar stilliggen, dan veroudert ze opnieuw. Bovendien moet je dan een inhaalbeweging maken, en dat vraagt dan weer om meer mensen en middelen.
Mathijs: Zijn er geen andere oplossingen te bedenken? Misschien kunnen jullie werken met een licentie, waar je de universiteiten voor laat betalen?
Carl: Het is moeilijk om iets dat altijd gratis was plots betalend te maken. Dat zie je ook bij de media, die jarenlang gratis content hebben aangeboden en nu te kampen hebben met dalende abonneecijfers. Dat is een eerste probleem. Ten tweede is de neerlandistiek klein: als je enkel universiteiten laat betalen, zou je een fors bedrag per instelling moeten vragen om zelfs maar één medewerker te kunnen financieren. Daarnaast is de BNTL ook bedoeld voor leerkrachten en leerlingen. Je kunt scholen niet vragen een abonnement te nemen zodat leerlingen een boekbespreking kunnen maken, of leerkrachten hun lesvoorbereiding.
Hubert: Het gaat inderdaad over wetenschapsontsluiting. Je snijdt gebruikers af en beperkt de BNTL tot een puur onderzoeksinstrument. Een dure licentie zou het ook afsluiten voor de kleinere afdelingen neerlandistiek in het buitenland.
Mathijs: Hetzelfde geldt eigenlijk voor essayisten en recensenten. Ook voor hen is de BNTL een dankbaar instrument.
Carl: Ja, en je kunt natuurlijk ook gewoon vanuit nieuwsgierigheid zoeken: als je Claus een boeiende schrijver vindt en meer over hem wilt weten, vind je in de BNTL alle publicaties over hem die met literatuur te maken hebben.
Mathijs: De BNTL bedient het volledige taalgebied. Is Nederland dan geen logische partner voor financiering?
Hubert: Tot 2014 financierde Nederland inderdaad mee. De BNTL was toen ondergebracht bij het Huygens Instituut in Den Haag. We voelden al langer dat er weinig interesse was om het te blijven ondersteunen. De website was bijvoorbeeld al sinds 2008 niet meer geüpdatet. Tijdens een besparingsronde in 2014 werden ze gedwongen om terug te vallen op hun kerntaken, en daar bleek de BNTL niet toe te behoren.
Carl: Als Nederland niet meefinanciert, kan Vlaanderen zich afvragen waarom het alleen de kosten zou dragen. De financiering zou eigenlijk moeten komen van instanties die voor het hele taalgebied of de hele neerlandistiek bedoeld zijn. De Nederlandse Taalunie en de IVN (Internationale Vereniging voor Neerlandistiek) hebben zich ondertussen geëngageerd om actief mee naar een structurele oplossing te zoeken.
Mathijs: Bevat de BNTL eigenlijk ook Antilliaanse, Surinaamse en Afrikaanse referenties?
Eva: Ja, tenminste als het in het Nederlands is of er een duidelijke band met het Nederlands is. Veel Nederlandstalige auteurs hebben Antilliaanse of Surinaamse roots, en dan nemen we trefwoorden op als Surinaams-Nederlandse letterkunde. De strikte opdeling per regio wordt eigenlijk niet meer gemaakt: alles zit samen in één databank. Een studie over een Zuid-Afrikaanse auteur die alleen in het Afrikaans schrijft en geen enkel verband heeft met een Nederlandstalig verleden, nemen we niet meer op. Maar zodra er een connectie is, uiteraard wel.
Hubert: Vroeger omvatte de BNTL ook het Fries. Maar toen Nederland het liet afweten, heeft de Fryske Akademy beslist de Friese BTL zelf voort te zetten.
Mathijs: Ik zou graag afsluiten met het documenteren van enkele minder voor de hand liggende toepassingen van de BNTL, die ook verloren gaan nu de BNTL wordt stopgezet. Op de website Neerlandistiek.nl wees Marc van Oostendorp op iets dat Jos Joosten was opgevallen. In Trouw had iemand beweerd dat er over geen enkele Nederlandse auteur zoveel was gepubliceerd als over Slauerhoff. Joosten ging dat uitzoeken via de BNTL en vergeleek de cijfers met die voor Mulisch en Claus, waaruit bleek dat de bewering niet klopte. Je kunt met de BNTL dus ook aan meta-onderzoek doen.
Hubert: En op dezelfde manier worden ook modes zichtbaar. Er is een periode geweest dat de Franse socioloog Pierre Bourdieu de enige zaligmakende onderzoeksmethodiek bood. Daarna was iedereen erop uitgekeken en kwam er iets anders. Met de BNTL kun je zien hoe de wetenschap evolueert en welke accenten gelegd worden. Vandaag zijn duurzaamheid en ecologie alomtegenwoordig, maar hoe zat het met ecologische opvattingen toen dat begrip nog niet eens bestond? Ook daar kan je met de database een antwoord op vinden.
Mathijs: De BNTL is dus het enige instrument waarmee je paradigmatische verschuivingen binnen de neerlandistiek kan waarnemen.
Eva: Dat is ook de insteek van onze functionaliteit ‘collecties’: zichtbaarheid bieden aan thematieken zoals genderstudies of disability studies en tegelijk de gebruiker laten zien wat zulke overkoepelende termen eigenlijk inhouden. Klik je erop, dan zie je over wat voor soort studies het gaat. Je kunt ook sorteren op jaar: in de jaren zestig vind je nog niets over gender en seksualiteit, en dan zie je dat op een bepaald moment opkomen.
Hubert: De gebruiker kan die data ook uit het systeem halen, in een eigen omgeving zetten en er onderzoek op doen of bibliografische lijsten mee maken. Het voordeel is dat de data uitwisselbaar en up-to-date is. Het is een open systeem: onze gegevens kunnen door anderen gebruikt worden. Bij veel commerciële databanken is dat heel gesloten en moet je veel geld op tafel leggen.
Mathijs: Wordt de BNTL enkel door neerlandici geraadpleegd?
Hubert: Nee, ook door kunsthistorici bijvoorbeeld. Een aantal schilders uit de zeventiende eeuw is ook als schrijver actief geweest. Maar dat geldt voor veel disciplines — ook voor de musicologie bijvoorbeeld. Heel veel literaire teksten zijn op muziek gezet. De Nederlandse Liederenbank aan het Meertens Instituut is voor een stuk literatuur: ik heb daaraan meegewerkt, samen met mensen uit de musicologie. Een interdisciplinaire samenwerking, en daarvoor is de BNTL ook goed. Zodra iemand een onderwerp heeft dat aansluit bij de Nederlandse taal of literatuur, kan die er terecht.
Eva: Eigenlijk cultuurgeschiedenis in het algemeen. Het gaat niet alleen over literatuur, maar ook over de context waarin die literatuur tot stand komt. Een historisch werk dat aandacht besteedt aan literaire genootschappen, nemen we ook op. Het hoeft niet per se puur literair-historisch of taalkundig te zijn.
Mathijs: Gaan jullie nog proberen om contact op te nemen met het kabinet?
Hubert: Ja, als ik eens wist bij wie precies. Er is geen enkele communicatielijn. Ik zou willen zeggen: kijk, dit is er allemaal, het systeem is performanter dan ooit, en net nu willen jullie dat dit verdwijnt? Dit weggooien is een vernietiging van kapitaal uit het verleden: al die mensuren, al dat goede werk.
Overzicht van evenementen en publicaties
Evenementen
1 juni, Désir dingue, met Aurélien Dony (Brussel)
3 juni, Opening Expo DICHTerbijKUNST slingert door de jungle’ (Beringen)
3 juni, Panelgesprek ‘Schrijven, een eenzaam beroep? met Carmien Michels, Janne Van Beek, Matthijs de Ridder, Silke Heusequin en Mathijs Tratsaert (Antwerpen)
4 juni, Boekvoorstelling ‘Mettertijd’, met Marleen Franssen (Hoogstraten)
4 juni, Poetik Bazar, les préliminaires, met Zephyr, Amélie Derlon Cordina en Skandar (Brussel)
7 juni, Opening poëzie-, kunst- en muziekexpo Canto ostinato (Vlierzele)
9 juni, Verschijningen, met Dominique De Groen, Roman Nesterenco, Wout Vermijs en Maarten Inghels (Brussel)
12 juni, Bloem in Oostende met Eli Elise Hoopman, Britt Bakker en Seppe Decubber (Oostende)
14 - 15 juni, De Sprekende Ezels in het park (Lier)
16 juni, Baisers du singe, met Stéphanie Van Vyve, Laurence Vielle en Carine Bratzlavsky (Brussel)
16 juni, Poëticafe met Els Moors en Samuel Vriezen (Brussel)
18 juni, lezing ‘Natuur en Poëzie op doktersvoorschrift’ (Bertem)
20 juni, Midzomernacht met o.a. Anne Ballon, Lander Govaerts, Astrid Haerens en Sébastien Conard, (Beersel)
21 juni, Apéro Poëzie op Flow-festival met Kurt van Eeghem (Oostende)
24 juni, Jagers&Verzamelaars i.s.m. Vonk&Zonen (Antwerpen)
26 juni, Poëzie in het Dorp met Peter Verhelst, (Zerkegem)
26 juni, Black-out poëzie en stapelgedichten (Landen)
27 en 28 juni, Met een klank van hobo met Kristien Hemmerechts en Bram Nolf rond Herman de Coninck (Kapelle-op-den-Bos)
28 juni, Sunday’s Open Mic / Jam (Kalmthout)
11 juni, Poëtisch-Muzikaal Daensmoment (Aalst)
5 juli, Apéro Poëzie met o.a. Rutger Mathys, Wido Uvin en Hanna De Grave Loyson (Oostende)
17 juli, Watou Live - Hommage aan Leonard Nolens met o.a. Maud Vanhauwaert en Liesbeth D’Hoker, (Poperinge)
17 tot 26 juli, Zomerlief gaat vreemd (Gent)
18 juli, Andreas Van Rompaey in Publiek Geheim (Antwerpen)
Publicaties (Nederlandstalig)
Jeroen Mettes, N30 (het balanseer, april)
De Klimaatdichters, Tongval van het verdwijnen (Pelckmans, april)
Antoon Van den Braembussche, Spiegel van de ziel (Uitgeverij P, april)
Guido De Bruyn, Lieve Johannes (Uitgeverij P, april)
Paul Demets, De doodstrompet (De Bezige Bij, mei)
Kevin Amse, Een huis omringd (PoëzieCentrum, mei)
Michaël Vandebril, Naar Constantinopel (met tekeningen van Bart Pluym) (Pelckmans, mei)
Steven Graauwmans, Niets is wat (Uitgeverij P, mei)
Caty Moerman, Tongbreker (Uitgeverij P, mei)
Johan Clarysse, Randschade (Uitgeverij P, mei)
Publicaties (Franstalig)
Aurélia Declercq, Coup de chien (Flammarion, maart)
Carmelo Virone, Prendre ses quartiers (L’Herbe qui tremble, maart)
Colette Nys-Mazure, Singuliers et pluriels (L’Atelier des Noyers, maart)
Colette Nys-Mazure, Souffle fragile (L’Atelier des Noyers, maart)
Elke de Rijcke, Paradisiaca. Un Lac-Opéra (Éditions MF, maart)
Héloïse Husquinet, Couler le ciel contre ma joue (L’Arbre de Diane, maart)
Julie Lombé, Rendre soin (Éditions Blast, maart)
Martine Rouhart, Conversation d’un jour de pluie (Éditions du Cygne, maart)
Pascal Leclercq, Booker Little et autres poèmes (Angle Mort, maart)
Patrick Wateau, Cœurfailli (Le Cadran ligné, maart)
Philippe Colmant, Arbrissime (Le Coudrier, maart)
Philippe Mathy, Pencher le cœur (L’Ail des ours, maart)
Yves Namur, Figures de l’éphémère (Espace Nord, maart)
Aurélien Dony, Désir dingue (Bruno Doucey, april)
Annie Préaux, L’éphémère rencontre (Le Coudrier, april)
Charles Ducal en Olivier Deprez, Chant du travail (CotCotCot, april)
Jean-Marie Corbusier, La parole précaire (Le Taillis Pré, april)
Jean-Pierre Otte, Quarantaine suivi de Quelques érotiques (Sans Escale, april)
Thierry Defize, Sans titre (15) (Éditions 632, april)
Yves Namur, Les plis du mensonge (Éditions Arfuyen, april)
Christine Van Acker, Moi, la poésie, je suis pas trop pour (Esperluète, mei)
François Jacqmin, Monochrome atteint par le vertige (Le Cadran ligné, mei)
Françoise Lison-Leroy en Francesca Scarito, Haute transhumance (Esperluète, mei)
Julia Billet en Frédérique Bertrand, Mota (Esperluète, mei)
Pascal Feyaerts, Le carré de l’ovale (Le Coudrier, mei)
Vertalingen
Ruth Lasters, Désirs à l’essai, vert. Daniel Cunin (Éditions de Corlevour, april)
Hélène Gelèns, Prends ton élan et plane, vert. Jan H. Mysjkin (Tetras Lyre, mei)
Maya Angelou, La vie, même pas peur. vert. Lisette Lombé, Julie Lombe & Joëlle Sambi (CotCotCot, mei)
Secundair werk
Andreas Van Rompaey, Literair Panorama. Verzamelde boekbesprekingen (Eburon Academic Publishers, 2026)
Prijzennieuws
Sarah de Koning wint de Johan Polakprijs met haar bundel Tekstielen (Querido, 2025)
Flemish Review de la Poëzie is een tijdschrift voor literatuur in Vlaanderen en België. De redactie bestaat uit Benjamin De Roover, Ewoud Goethals, Hanna De Grave Loyson, Astrid Dewaele en Mathijs Tratsaert.
Wil je graag reageren of bijdragen? Contacteer ons via flemishreview@gmail.com. We verwelkomen reacties van lezers en zijn momenteel actief op zoek naar critici en essayisten.
Sinds januari 2026 worden we structureel ondersteund door Literatuur Vlaanderen. Danku Vlaamse Gemeenschap!


