Flemish Review de la Poëzie #20
Februari 2026
In deze editie van Flemish Review de la Poëzie vind je:
Gedichten van Gwenaëlle Stubbe, vertaald door Jan H. Mysjkin
Een overzicht van literaire evenementen (februari-maart) en nieuwe publicaties
Requiem Virginie Loveling
door Marieke Ornelis
Ode aan Loveling (proloog)
vrij naar ‘Ode to Keats’ - Diane diPrima
Had jij, V., 189 lentes gezien Zou jij, ook, gebotst zijn op de grenzen Van dit door jou bezongen landschap Het vrolijke geklingel van een munteenheid Gesmoord met steenwegasfalt Misschien zelfs toen: De arbeiders, vuil, buiten het salon De sporen, blinkend, tussen de aarde Als paddenstoelen de bouwsels die huisden Een nieuwe middenklasse. Waar jij toe behoorde. Waar ik toe behoor. Wij zijn bezwaarlijk welkom hier Wat blijft over van dit huis Het vermolmde parket, het vocht in de wand Bekrast met potloden en haarspelden, de klauwen van een katachtige Toch betreden wij deze donkere droom Kant, resten linnen en wol, scherven van porselein, de overvloed Sporen van een gespeelde scène, ook jij, zelfs toen Had gehuild, als je het had gezien. Zou je gillen, zoals sommigen onder ons nu, “Gedaan! Gedaan met de bloedzuigers die wonen in de zuidelijke bossen Gedaan met de hordes die uit de steenkoolmijnen trokken De lichamen die zich baden in een uitdijende olievlek Die zwartglanzende sporen trekken door de hoofdstad Van dit Grote Land– Die openbare parken bevuilen tot men zich niet langer idylles kan verbeelden…” Jij zag in de weidse akkers een voorteken Van Vlaamse voorspoed, hing aan de beiaardjes van de sleutelbloemen een geel glanzende belofte op, de bottende twijgen bogen voor jou, V., de volkstrouwe ondernemersdochter – Wist je wie ons zou volgen toen we de deur openden Om de overvloed binnen te treden, te dromen in dit interieur? En huilen wij in deze scène? En voor wie?
Een winter in het zuiderland
Van buitenaf zagen C. en ik er wellicht uit als zusjes, of boezemvriendinnen. Gearmd op de Rue De Rivoli droegen wij fuchsia nepbont en zwarte wol, wij kochten nagellak en vitaminepillen. Wij waren vies omdat we die middag op een straathoek crêpes overvloedig bestrooid met bloemsuiker hadden gegeten. Wij genoten ervan samen vies te zijn in het buitenland, zo vormden wij een eenheid. Vanuit Amsterdam bezocht ik haar die herfst, de Notre Dame was al verkoold dus daar bleven we weg. Ook de nationalistische demonstraties in het centrum meden we omdat vechten voor niet je eigen, maar een andere natie, ons niet aantrok. Wij deelden niet veel behalve ons vaderland, toch lachten we hard in elkaars bijzijn en klaagden we openhartig over onze moeders. Zij sprak over haar kunstinstallaties en had moeite zich de Nederlandse woorden te herinneren, het Frans woekerde in onze gesprekken. Omdat ik groter en gezonder was dan zij gedroeg ik me dominant: ik betaalde voor de wijn en bepaalde de wandelroute. ’s Avonds bekeek ik haar billen toen ze zich omkleedde om uit te gaan, we deelden mascara en lippenstift omdat ik nog niet bang was voor ziektes of ontstekingen. Ik sliep om vijf uur ’s ochtends met mijn hoofd op haar schouder, toen we na het feest in een ondergrondse club aan de andere kant van de stad met de metro terugreisden. We wasten traag onze gezichten voor de spiegel in haar slecht verlichte badkamertje, ik verlangde haar te kussen maar verroerde me niet. Ook in haar donkere slaapkamer bleven de grenzen tussen onze lichamen ongeschonden. Wel vingerde ik mezelf stiekem terwijl ik me voorstelde hoe ik haar op de Grote Markt in Brussel zou beffen op een bed van wafels, terwijl een menigte eerbiedig bij dit onwaarschijnlijke spektakel van nationale eenheid toekeek. C. vergat mijn dubbelzinnige bezoek niet. Maanden later opende ik met trillende vingers de envelop, las haar brief met bepalingen over onze luwe betrekkingen. Mijn arrogantie en symbolische gebaren maakten haar misselijk, zij vond dat onze verhouding haar veel arbeid kostte. Een scheiding van bevoegdheden leek daarop onvermijdelijk. Ik begroef mezelf in een reeks ontkennende handelingen: bleekte mijn haar tot het brak, verschafte orale seks aan liberale Nederlandstalige jongens. De gedachte dat C. en ik elkaar op de één of andere manier geweld hadden aangedaan verdween met de stokoude verklaring: zusterliefde.
Het land is ondood en ik ook
Ik was een meisje en ik verbeeldde me dingen Een horizontale lijn van gelijkaardige figuren Getekend door deze omstreken Een verticale lijn van bloedverwanten Traceerbaar in een album Tot een reeks te behoren Hen daarom te kennen Al snel liepen verbeelding en ideologie dooreen Men vierde dat met groteske herdenkingen Ik bekeek 90’s Clouseauvideo’s Hield de vlam brandend Verlangde ondode seks in het graf van een onbekende soldaat Weekte in de motregen Ook doorkruiste ik andere naties Deed verslag van hun gewassen en gebreken Toen het voetbalseizoen aanbrak verkeerde ik in een krachtig delirium de wind droeg me als een vlag en men juichte Op mij wachtte een erfenis Van onbekende aard Het lot leidde mij naar een steengroeve Waar mij een blik op de natie werd beloofd Voorovergebogen starend in de diepte Zag ik enkel vormeloosheid en ik riep Dit land herkent zichzelf niet Toen ik met mijn nagels in de bodem klauwde Openbaarde zich enkel meer bodem Ik was niet oud, het land ook niet, toch leefde er weinig in ons behalve verbeelding Binnenshuis spelen wij met versleten toekomsten, geklasseerd videomateriaal Een oude voormoeder teistert mij ’s nachts Vertelt me haar meisjesfantasieën
MEISJESFANTASIEËN
1.
Ik ben de dochter van een belangrijke hoogleraar literatuur, ik heb een onberispelijk gebit en weeg 54 kilo. Op middelbare leeftijd voltooi ik eindelijk de biografie van één van mijn vaders beste vrienden, een experimentele auteur die nu dood is. De feestelijke boekvoorstelling vindt plaats op een vrijdagavond in de herfst, in het gebouw waar in de vorige eeuw een hoog aangeschreven theaterschool gevestigd was. Als ik door dit gebouw loop vertraag ik mijn tred, iedere keer dat ik mijn silhouet in één van de glanzende oppervlakken – marmeren wanden, donkere ramen, menshoge spiegels – weerkaatst zie. Vanavond lijk ik niet op de zwakke halfdode schim die ik gewoonlijk in mijn spiegelbeeld aantref. Ik voel me heel reëel, een levend lichaam dat de potentie tot ingrijpen draagt. In de zaal is het rumoerig, alle levende vrienden van mijn vader zitten met hem op de eerste rij. Daarachter tuimelen recensenten, journalisten, boekverkopers en de meest dominante namen uit de Vlaamse literatuur opgewonden over elkaar heen om een vrije stoel met goed zicht te vinden. Vanaf de chaise-longue op het podium kijk ik hen één voor één schalks aan. Steeds wenden de figuren in deze krioelende massa daarop hun gezichten af. Ik kom uit een belangrijke familie, die bepalend is in de verdeling van subsidiëring en prestige. Als kind al was ik mooi en overgoten met de gloed van cultureel kapitaal, mocht ik op schoot kruipen bij de belangrijkste literatoren die dit land heeft gekend. Als tienermeisje streek ik met mijn vingers door mijn lange haren terwijl ik op het tapijt in het salon zat, liet ik de experimentele prozaïsten oreren, gezeten op antiek meubilair en hoog boven mij uittorenend. Zij ervoeren mijn bewonderende blik als een onbevlekte vorm van intimiteit, die ze misten bij hun echtgenotes. Ik beantwoord hun hunkering graag, ook nu de dood ons scheidt. Ik voer mijn verleidelijke post mortemdans op: schrijf hun biografieën. De interviewer komt op de stoel naast me zitten, mijn redacteur knikt me toe vanuit de coulissen. Het wordt stil in de zaal, ik adem in en zoek mijn eerste woorden. Voor ik iets kan zeggen klinkt echter het lange gekraak van de zich openende zaaldeur, gevolgd door een zware dreun. Een gorgelend geluid, iets sleept over de grond. In het zaalgangpad verschijnt een gestalte. Moeizaam beweegt hij zich voort, hij is meer skelet dan pezen of huid. Een spoor van aarde en kronkelende maden verschijnt achter hem. Hij is langzaam maar doelmatig, beklimt het podium. In het licht van de theaterlampen herken ik wat overblijft van het gezicht van de experimentele auteur, het onderwerp van mijn boek. In zijn gebarsten schedel kan ik zijn hersenen in verre staat van ontbinding zien. Hij wil de mijne, weet ik intuïtief. Ik sta op en spreid mijn armen. Een nieuwe geur dringt mijn neusgaten binnen nu hij nadert. Eet maar, zeg ik. Onder luid applaus word ik verzwolgen in zijn rotte omhelzing.
2.
Ik ben achttien en draag de witte jurk die ik heb aangeschaft om in ontmaagd te worden. Nu de nazomer is ingezet bloeit de heide fel purper, en uit de bloemen die ons overal omringen stijgt een opgewonden gezoem op. Mijn vriendje heeft mij hier gebracht, en in deze omgeving zie ik allerlei erotische mogelijkheden. Hij is bleek, heeft een strenge blik voor zijn leeftijd en een prachtig gespierd lichaam. In de maanden sinds onze relatie begon ben ik erop vooruit gegaan. Hij heeft me aangeraden geen roze meer te dragen, en kleedt me nu in dure linnen gewaden in wit, bruin of mosgroen. Hij heeft me aangezet voor hem te leren koken met kokosolie en vergeten groenten. Hij heeft me een spirituele verbinding met de kosmos bijgebracht en me ervan overtuigd dat ik niet thuishoor in de nachtclubs in het havengebied. Ook heeft hij me geadviseerd niet meer te schrijven. Nu laat hij me de natuur zien. Het schemert al, hier en daar verschijnt een lichte nevel boven de heidegewassen. Ik ren voor mijn vriendje uit, het pad af, vederlicht als een hert, en vlei me tussen de begroeiing neer onder een knoestige boom. Ik poseer voor hem. Gedurende onze relatie heeft mijn lichaam, tot voor kort onvolgroeid en verborgen, een grote gewichtigheid verworven. Bijna continu wil mijn vriendje het tekenen, fotograferen of naboetseren – alles naakt. Vanavond wil ik dat hij mij kneedt, in plaats van zijn geliefde okergele natuurklei. Hij volgt me de struiken in. Er is geen levende ziel te zien. Als hij op enkele meters afstand van mij stilhoudt om te kijken, trek ik mijn witte jurk een stukje omhoog. Kom, zeg ik zacht. Maar hij schudt zijn hoofd. Langzaam beweegt hij zijn hand achter zijn rug, tast naar iets in zijn achterzak. Daar haalt hij een stompje houtskool tevoorschijn. Ik open mijn benen, het jurkje glijdt van mijn schouders en dijen af. Mossen en schors raken de huid van mijn rug en billen. Rechtop torent mijn vriendje hoog boven mij uit. Opnieuw schudt hij zijn hoofd. Hij strekt zijn arm voor zich, knijpt één oog dicht, houdt het stompje houtskool naast mijn lichaam. Achter zijn gestalte verschijnt een enorme volle maan, die met haar fel witte licht het volledige hemelgewelf boven de heide opeist. Als mijn vriendje een pas achteruit zet om me vast te leggen, begin ik te veranderen. Heel vlug worden mijn ledematen bedekt met een dikke zwart-grijze vacht. Mijn mond groeit, mijn tong beweegt langs rijen puntige tanden. Mijn grote klauwen glinsteren metaalachtig in het maanlicht. Een allesverterende honger overvalt me. Mijn vriendje kan niet ontkomen, ik bijt hem aan flarden voor hij kan roepen. Zijn gespierde lichaam smaakt goed. Liggend tussen de paarse bloemen luister ik daarna naar de krekels. Ik ben helemaal vol, en nog maagd.
Erfelijk belast
Het heeft niet lang geduurd voor ik op mijn moeder ging lijken. Ik zie onze weerspiegeling in de gesloten ramen van deze kamer, daarachter is het donker – de rolluiken zijn dicht. Wij zijn twee wazige, identieke figuren overgoten met het witte licht van de oude elektrische luster. In deze slaapkamer ligt alles overhoop, van de kast die de hele wand bedekt staan alle deuren open. Tegelijkertijd grijpen we naar een bruin geruit Chaneljasje van wol, dat tussen een aantal knielange rokken in de kast hangt. Opnieuw zetten wij ons schrap voor de confrontatie die uit deze synchrone beweging zal voortkomen.
Nu mijn grootouders hier niet meer zijn wordt het huis uitgeruimd en verkocht. De brede voorgevel ligt aan een idyllisch dorpsplein met een oorlogsmonument en een kerk. Binnen hangt een ongemakkelijke kilte, als we een kamer binnenkomen en het licht aanknippen kruipen de insecten in allerijl weg. Hoeveel maanden zullen het zijn – acht, misschien elf. Sporen van dementie-dwalingen, de tuin overwoekerd, een exemplaar van De Leeuw van Vlaanderen in de boekenkast, de bladwijzer slechts enkele pagina’s ver. Onder het behang ontwikkelen zich schimmels. Mijn moeder en ik in het midden van deze restanten, ieder met één hand de kapstok met het Chaneljasje vastklemmend.
Ik heb altijd dezelfde dingen verlangd als mijn moeder. Iemand zou denken dat dat een innige moeder-dochter relatie bevordert, maar we weten: slechts zelden heeft men werkelijk iets aan voorbarige aannames. Als puber stal ik mijn moeders kleren en besmeurde ik ze op feestjes, ik las haar boeken en raakte ze kwijt, ik bootste haar gezichtsuitdrukkingen na en verleidde daarmee verschillende jongens. Voor al deze dingen werd ik adequaat gestraft. Ook won ik prijzen voor wat zij het liefste deed: schrijven. Vanaf het begin imiteerde ik haar, en oefende ik me in het schrijven om haar te behagen. Eerst maakte dat haar trots, nu belast het haar met een vreemde gespletenheid tussen bewondering en angst. Ondertussen ben ik getalenteerd, en een ware bedreiging.
Wellicht is het een grap van de natuur, of een logisch gevolg van onze sociale omstandigheden. Mogelijk een bewijs van de evolutietheorie, of lotsbestemming. In mijn moeders oude slaapkamer vind ik spullen terug uit haar adolescentie: glittermake-up, Nederlandse schoolschriften. Ze wijst (ondertussen draagt zij het Chaneljasje) naar een poster aan de muur van een jonge vrouw met een baby in de armen. Dat heb ik altijd gewild, zegt ze. Over de andere dingen die ze had gewild en die ik nu met een vanzelfsprekende elegantie uitvoer, rept ze met geen woord. Ik trek mijn mond niet open over mijn angst voor het gespuis dat ik mogelijk ter wereld zal brengen, en wat dat me wel niet allemaal zal kosten (lichaam, geest, tijd, geld, roem).
Als ik me mezelf voorstel als moeder ben ik een kruising van de heilige maagd Maria en een dragqueen. Om mij heen schijnt een stralend namiddaglicht, op mijn arm draag ik het kleine warme babylijfje gewikkeld in een schapenvel. Op mijn hoofd heb ik een enorme blonde pruik, ik draag fel rode lippenstift en heb ontzettend scherpe jukbeenderen. Ik draag vele prachtige gewaden maar niets aan mijn lichaam eronder is vlees of bloed, alles is gemaakt van rubber en siliconen. Mijn moederschap is grotesk en theatraal, het is een avondvullende voorstelling met een lichtshow en een dramatisch plot. Aan het einde blijkt de baby al die tijd een plastic pop te zijn geweest die ik in het publiek keil, de pruik valt af en onthult mijn blinkende kale hoofd. Iedereen lacht en ik ook.
Met haar eigen moeder vond mijn moeder ook nooit een harmonieuze verhouding. Het blijft onduidelijk of het verleden zich steeds herhaalt, of hier iets anders aan de hand is – een soort gelijktijdigheid. Ik leef de meisjesfantasie die mijn moeder droomt in haar slaapkamer in de jaren ’80. Ik eigen me een toekomst toe die al in het verleden ligt. Het huis van mijn grootouders is een verzameling gematerialiseerde herinneringen, waarin mijn moeder en ik om ieder begeerlijk voorwerp onze strijd aangaan. In een nieuwe kamer grijpen we tegelijkertijd naar een bordeauxrode handtas van krokodillenleer. Nieuwsgierig kruipen de insecten, die nu weten dat wij voor hen geen gevaar vormen, weer tevoorschijn om deze twee identieke, worstelende figuren gade te slaan. Ik bijt in het stof, weet dat wat ik erf een meedogenloos verlangen is. En ik ben dankbaar.
Tien gedichten van Gwenaëlle Stubbe
uit: Salut, salut Marxus (2006)
vertaald door Jan H. Mysjkin
O Ze denkt haar gezicht. Maar zonder bewoonster. Alleen de neus haar neus. Louter gezicht. En duwt dat gezicht op de kerel voor haar. Punt. Duwt als een beeeeest! Met haar mond in de vorm van een O. Zo’n stomme O. Van vissen in een kom! Geremd Het is een geremde man – met – niet de minste verwijding van de huid. De hele hoek van zijn hoofd zit klem. Zonder de zweem van een uitstapje over zijn gezicht. De enige verslapping waar hij recht op heeft zijn de be-la-che-lij- ke opgekleefde deeltjes vel die op het punt staan los te laten. Geen beweging van vlakken – wangen of kaken. Nee, alles is bij hem opgeslagen in een huidzak als een skipiste. Met af en toe mensen erover als druppels olie. En het beweegt niet. Het glimt alleen maar. De man uit de goot De man uit de goot is een goteling, dat weet iedereen, hij raakt gewend aan de goot, zodat men op straat kan zeggen: ‘Hé, daar heb je een man uit de goot!’ Hij heeft een zakman nodig om zich bijeen te rapen. De zakman heeft een jutezak. Hij stouwt zijn zak vol met vrouwen en neemt ze mee uit wandelen. Op die manier geeft hij de eerste aanzet tot het toerisme, een vorm van toerisme in jute. We leven in een betoverende tijd, waarin elke ontklede vrouw haar zak vindt. Waarin iedereen zich met eenieder kleedt. Beeld van het mannelijke ras in diësis Wat zie ik? – Een man. Over een baksteen gespannen. In de roos. ’s Avonds, de avond erover. Over zijn neus. De man sleept zijn vrouw voort. (Daar laat ik het bij.) Mijn oog nog op de man – op de eerste rij. Ik neem iets van zijn been mee, iets van zijn hemd. Maak me thuis – met hem – bloot. Mijn (driehoekige) bril verplettert mijn neus. Ik tel met mijn vingers tot 4. Zoveel mannen, houding – armleuning, als genummerde pijlen. Met prachtig mooie teenblokken aan hun laarzen. Wat diegenen die zich rotslecht uitdrukken overkomt Ik heb drie vier personen bij me te gast. Ze praten tegen me, ik praat tegen hen – van alles en nog wat! Ik ben kwaad op mezelf. Er rust op mij, op hen een oog. En dan, een van de gasten zegt niet wat hij moet zeggen! Dus stort het oog zich op hem met vaantjes en kleine laagjes komma’s om zijn aarzelingen te dichten en hem te sturen in de magere, schone baan van de draad voor het snijden van kaas. 1. Portret van Marxus Lixus Marxus: weinig. Weinig. Door list veeleer. Door list. Puntig. Weet niet. Weet niet meer. Heeft Marxus. Een hoofd. Nee. Gedemonteerd. Hij denkt. Ronduit. Heeft Marxus. Helemaal niet. Ai, ai. Ai waarom dan Marxus. Marxus hoehoehoehoe! Duvel op. Marxus steunt in die duvel op een beetje op zijn laatste bil. Zo. Ook. Mond met tegendraadse neiging. Zo. Om wat dan ook te zeggen. Lamp. Hemd. Radiator. Wat dan ook en tegendraads. Wat een indruk maakt. We weten niet meer. We weten niet meer. Roept hij. We weten niet meer. Wat een indruk maakt. We weten niet meer roepen anderen. En Marxus Lixus weet niet meer waar. Waar, waar te antwoorden. 2. Hoe het beschrijven van Marxus neerkomt op het afpersen van een besje Marxus Lixus. Een mond vooraan. Vooraan, vooraan. Gegoten, vooraan, volmaakt. Zijn hand vooraan. Bijna verpletterd vooraan. Als lichte trommeling. Wat zal ik nog meer zeggen? Marxus perfectie van het voorhoofd. Rien ne va plus. Er kan niets meer veranderd worden. 10 frank voor… Mar… Het draait, vrienden. 10 frank voor… dat besje daar! Marxus kom op met je kop. Het besje, geef d’r een duw, haar hond. Pats, het besje. Op het trottoir. Worden geschaakt: 3 centjes, 3 piepkleine centjes die nergens van tel zijn. Ik klets. Zegt Marxus, als zijn hond, als zijn staart. De hele CHARME van de stranden!!!! Loop vooral niet met jouw benen tussen hun benen! Blijf mooi op je hele hemd. Als er plek is op het strand – errrop af, maar ga d’rrr alleen liggen met je oog! En toch zou ik graag willen dat ze me op een dag toelaten om zelf te zien hoe ik van top tot teen, in de dop op een strand tussen zetels en zeeën – jullie ligstoelen en hoofden verzamel in mijn uuuuwe. Wanneer dat er is. Dat wil zeggen ik Meneer op een strand ten voeten uit. Zal ik zeggen, kijk aan! Waarom niet – met mijn mond domweg blootgesteld op a. Mening over de menselijke soort Indien God ons zuiver had geschapen, dan zou hij ons tot varkenskoppen hebben herleid. Het is een schande onze hoofden niet heel nauwkeurig in overeenstemming te brengen met de inhoud ervan. Ons wijs te maken dat we ons kunnen uitvouwen als een pseudo-accordeon. Ik eis dat er varkenskoppen in de handel worden gebracht om de mens klem te zetten in muilen. Je hoeft hem maar aan te kijken en je zult niet langer twijfelen over zijn weefselstructuur. De varkenskopproef van het menselijke gezicht zal snel leiden tot een overzichtelijk besluit, waardoor een precieze berekening van onze soort mogelijk wordt zonder ook maar enige hinder te ondervinden van een haarlok. Standpunt van het stel Verder. Een man op zijn jasje, een vrouw op zijn das. Hebben een vingerwisseling. De man nadert met zijn vinger, de vrouw nadert met haar vinger. De twee vingers krollen tot een krul. Alsjeblieft. Hun twee verknoopte vingers. De man op zijn jas, de vrouw op zijn das en af en toe, om haar kin te ontlasten, laat de vrouw al haar tanden op hun getwijnde vingers rusten. En laat daar haar tanden in het ongewisse. Zo ontlast zij haar mond en probeert haar mond in alle mogelijke houdingen zonder tanden. En de man ziet iets gloednieuws in zijn vrouw, een gloednieuwe reden om haar te beminnen en voor de gelegenheid een nieuw jasje aan te schieten.
Nieuwe gedichten
(vrij naar Rilke)
een fragment
door Bart Van der Straeten
De dichter (Der Dichter) mijn mond mijn uur, mijn dag, mijn nacht geliefde geen, geen huis noch plek of stek vleugelloos, alleen niet zonder wonden steeds verder van me weg dit dicht gebrek ik geef mij uit aan alle dieren dingen zodat zij rijker worden en ik gek
Zwarte kat (Schwarze Katze) een woeste in een cel een razend spook waaraan je blik weerkaatst en dan verdampt de zwarte vacht zuigt alle kijken op tot somber dreigend rillend en verslapen het gele barnsteen in haar eigen ogen wordt gewekt in hun rondte ligt besloten dit openbaar dit opgebaard insect
De panter (Der Panther) voor Lut Missinne de blik, de pas, het hart en dan de tralies de kleine kringen die het roofdier draait en danst zijn kracht is wil zijn hart is stilte die opslokt en verorbert en verteert de pasvorm van zijn kooi maakt het ons zichtbaar in het woorddier is een wereldding verbeeld
‘De levensvatbaarheid van de organisatie staat op het spel.’ Een gesprek met de KANTL.
door Mathijs Tratsaert
Het voorbije najaar kondigde de Vlaamse regering een reeks besparingen aan die heel wat wetenschappelijke, culturele en sociaal-culturele organisaties zwaar trof. Veel inkt vloeide al over het MuKHA, dat, althans voorlopig, gered blijkt. Andere instellingen kregen minder aandacht en dreigen te verdwijnen of tot een schim van zichzelf te worden herleid.
De komende maanden publiceert FRP enkele interviews met literaire organisaties en initiatieven die bijzonder hard getroffen werden. Het doel van deze gesprekken is om nauwkeurig te documenteren wat onze samenleving met deze besparingen verloren laat gaan, niet enkel in beleidstaal of cijfers, maar ook in concrete verhalen over wat deze organisaties doen, voor wie, en waarom dat belangrijk is. Pas als duidelijk is wat er precies op het spel staat, kan het maatschappelijke debat over de besparingen op een onderbouwde en adequate manier worden gevoerd.
In het eerste interview van de reeks gaat FRP-redacteur Mathijs Tratsaert in gesprek met Judith Van Doorselaer en Nicolas Leus, respectievelijk de directeur en publieksmedewerker van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren (KANTL).
In het najaar van 2025 kwam de KANTL onverwacht in zwaar weer terecht. Minister van Cultuur Caroline Gennez besliste dat de werkingsmiddelen van de Academie vanaf 2026 met 190.000 euro (23%) zullen worden verminderd. Die beslissing is niet gekoppeld aan een evaluatie of inhoudelijke motivatie. Vanaf 2027 dreigt een bijkomende besparingsoperatie, die de totale vermindering op 46% zou brengen, haast een halvering van de middelen. Dat zet niet alleen de werking maar mogelijk ook het voortbestaan van de instelling onder druk. Wat betekent zo’n beslissing voor een academie met een decretale opdracht, een lange historische traditie en een uitgesproken brugfunctie tussen wetenschap, cultuur, onderwijs en erfgoed?
Mathijs Tratsaert: Judith en Nicolas, veel dank om met ons in gesprek te willen gaan. Kunnen jullie vertellen wat de KANTL eigenlijk is en wat jullie precies doen?
Judith Van Doorselaer: De KANTL (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren) bestaat al sinds 1886 als pleitbezorger van het Nederlands in Vlaanderen en België. Het is een organisatie met een heel bijzondere structuur, die zich moeilijk laat vergelijken met andere instellingen. Het hart van de KANTL wordt gevormd door het Genootschap: een soort denktank van veertig leden en een onbepaald aantal ereleden — taalkundigen, letterkundigen, schrijvers en andere experten met een bijzondere verdienste voor het Nederlands. Zij nemen gerichte rollen op in jury’s, commissies, programmatie en bestuur, en doen dat volledig onbezoldigd. De maatschappelijke opbrengst van onze werking overstijgt dan ook ruimschoots de middelen die erin worden geïnvesteerd.
De KANTL doet heel wat: we reiken literaire en wetenschappelijke prijzen uit en geven publicaties uit. Veel mensen kennen ons van de literaire canon, die we om de vijf jaar samenstellen en waarrond we een uitgebreide publieks- en educatieve werking hebben uitgebouwd, in samenwerking met grote mediahuizen. Daarnaast organiseren we colloquia en lezingen, maar ook literaire festivals en inspiratiedagen voor het onderwijs. De KANTL is bovendien de drijvende kracht achter het educatieve platform literairecanonindeklas.be, dat lesmateriaal aanbiedt voor het secundair onderwijs. We hebben ook een digitale afdeling die talige en letterkundige bronnen ontsluit voor een breed publiek. De KANTL wil ten slotte een overlegforum zijn binnen het veld én een open huis voor publiek, want we vinden het belangrijk om onze infrastructuur ter beschikking te stellen van anderen.
Al die activiteiten vertrekken vanuit één kernopdracht: de vertaalslag maken van actuele academische kennis over de Nederlandse taal en literatuur, van vroeger en nu, naar een breed publiek. Onze unieke positie ligt net in die brugfunctie tussen cultuur, wetenschap, erfgoed en onderwijs.
Nicolas Leus: Die brugfunctie vind je ook heel concreet terug in onze programmatie. We brengen hedendaagse auteurs samen met canonieke stemmen en koppelen literatuur aan muziek en andere kunstvormen. Auteurs en muzikanten uit verschillende generaties en circuits staan hier samen op het podium. Zo programmeerden we een topensemble als Zefiro Torna, met eeuwenoude muziek op canonieke teksten, naast artiesten als Ikraaan en Roosbeef. Een ander voorbeeld is het duo Orphan Fairytale en Sadig El Gibril, dat ter plekke, zonder repetitie, lezingen van auteurs als Maud Vanhauwaert, Gerard Herman, Tülin Erkan, Delphine Lecompte, Christophe Vekeman en Ibe Rossel van muziek voorzag. Tijdens die evenementen ontdekt het publiek ook dat hedendaagse auteurs op de schouders van hun voorgangers staan. Tegelijk mag er op die voorgangers ook kritiek worden geuit, dat juichen we alleen maar toe. Laat het stof maar waaien.
Diezelfde brugfunctie zat ook in het project Passe-Partout, dat een samenwerking was met De Centrale en het Poëziecentrum. Muzikanten uit zes verschillende taalgroepen in Gent componeerden telkens twee nummers: één op basis van een klassiek gedicht uit hun eigen taal, vertaald naar het Nederlands, en één waarin een bekend Nederlandstalig gedicht werd omgezet in bijvoorbeeld het Farsi of het Arabisch. Zo ontstaan nieuwe verbindingen, zowel talig als cultureel.
Ook de colloquia die we samen met het Studiecentrum voor Experimentele Literatuur (SEL) organiseren onder impuls van academielid Lars Bernaerts, maken die verbinding zichtbaar. Daar brengen we literair erfgoed – denk aan auteurs als Daniël Robberechts en Mark Insingel – in gesprek met een nieuwe generatie onderzoekers en schrijvers. Op die manier zetten we het verleden niet achter glas, maar gaat het actief een dialoog aan met het heden.
Mathijs: Dat is inderdaad heel wat. Betekent de knip in jullie subsidie dat dit aanbod in de toekomst verdwijnt? En zijn er andere gevolgen zich nu al laten voelen?
Judith: De KANTL heeft de afgelopen maanden al een aantal bijzonder pijnlijke keuzes moeten maken met het oog op kostenbeheersing. Wat kunnen we blijven doen, waar moeten we op besparen, zonder onze meerwaarde te verliezen? Het bestuur heeft daarbij de moeilijke beslissing genomen om afscheid te nemen van twee medewerkers die al zeer lang voor de organisatie werkten. Uiteraard heeft dat een grote impact op onze werking.
In 2026 zullen we een aantal grote publieksmomenten moeten schrappen. Het publieksfestival KANTeLing in Beauvoorde bijvoorbeeld, en ook de Nacht van Canon: het literair-muzikale nachtelijke feest in ons stadspaleis. Dergelijke evenementen belichamen voor ons de culturele en ook maatschappelijke meerwaarde van onze werking. Tegelijk vinden we het belangrijk om daar transparant over te zijn: met aanzienlijk minder middelen moeten we keuzes maken. Het is niet realistisch te verwachten dat we in dezelfde vorm en op hetzelfde niveau kunnen blijven werken wanneer het budget substantieel wordt teruggeschroefd.
Tegelijk blijft de dreiging van een mogelijke tweede knip ons boven het hoofd hangen. Wat vandaag het zwaarst doorweegt, is die aanhoudende onzekerheid: het is niet duidelijk welke inhoudelijke parameters zullen bepalen hoe de toekomst van de KANTL eruitziet. Als die tweede besparing effectief wordt doorgevoerd, betekent dat in totaal een halvering van onze middelen. Dan staat de levensvatbaarheid van de organisatie op het spel. Verdere inkrimping zou de ruimte om te blijven investeren in publiekswerking en maatschappelijke meerwaarde volledig wegnemen, terwijl net die aspecten centraal staan in onze opdracht.
Mathijs: Jullie werking is nochtans decretaal verankerd. Zou dat geen bescherming moeten bieden tegen wat nu gebeurt?
Judith: De werking van de KANTL is inderdaad vastgelegd in een eigen decreet. Die verankering is bedoeld om onze academische onafhankelijkheid en ons langetermijnperspectief te waarborgen. Het decreet omschrijft onze opdracht, in de vorm van een aantal kerntaken. Het biedt een kader, maar de vraag dringt zich op welke middelen nodig zijn om die opdracht duurzaam uit te voeren. Het is met andere woorden zeer onzeker of de uitvoering van de volledige decretale opdracht wel nog haalbaar is in deze besparingscontext.
Mathijs: Het kabinet lijkt ervan uit te gaan dat jullie die kerntaken kunnen blijven vervullen via samenwerking met partners. In haar antwoord op een parlementaire vraag zei Gennez dat er overlap is tussen de taken en doelstellingen van verschillende literaire organisaties.
Judith: Wat soms ‘overlap’ wordt genoemd, is in werkelijkheid vaak zeer gerichte expertise. Wanneer je die weghaalt, verdwijnen ook de opgebouwde kennis, ervaring en het netwerk waarin jarenlang is geïnvesteerd. Laat me duidelijk zijn: samenwerking is voor ons vanzelfsprekend en essentieel. Ook het voorbije jaar werkten we nauw samen met een groot aantal partners: universiteiten, culturele organisaties, literaire spelers, lokale initiatieven, educatieve partners en allerhande media. Maar samenwerking is geen synoniem voor kostenbesparing. Als je structureel snijdt in iemands werking, leidt dat onvermijdelijk tot een verarming van het veld.
Mathijs: In het parlement noemde Gennez organisaties als de KANTL en Ons Erfdeel, dat ook door de besparingen getroffen werd, ‘tussenstructuren’. Dat woord bevat een bepaalde aanname, namelijk dat jullie rol voor de literatuur van secundair belang is. De minister wil vooral individuele auteurs ondersteunen, maar hoe moeten auteurs waardering en lezers vinden zonder institutionele bemiddeling?
Judith: Die vraag raakt aan de kern van de zaak. In een opiniestuk in De Morgen wees auteur Gaea Schoeters er terecht op dat instellingen als de KANTL auteurs net de kans geven om te excelleren. Wij zorgen voor context en zichtbaarheid: via prijzen, publieksprogramma’s, opdrachten en debat. Dat zijn geen bijkomstigheden, maar cruciale bouwstenen van het auteurschap. Als je dat weghaalt, raak je rechtstreeks de makers.
Mathijs: Het zijn ook precies die zaken die mee worden gewogen als een auteur een aanvraag doet voor werksubsidies. Jullie geven auteurs argumenten waarmee ze kunnen aantonen dat ze een bepaald publiek bereiken en kwalitatief hoogstaand werk leveren. Het weghalen van zogezegde tussenstructuren als de KANTL kan ertoe leiden dat er binnen twee of vier jaar minder grond is om individuele werkmiddelen te verantwoorden.
Judith: Erkenning en publieksbereik ontstaan niet vanzelf. Ze worden opgebouwd via prijzen, optredens en opdrachten. De KANTL biedt juist een ruimte waarin werk circuleert, wordt gelezen, besproken en gewaardeerd. Zonder die infrastructuur wordt het inderdaad veel moeilijker om ‘ kwaliteit’ concreet te onderbouwen.
Nicolas: En natuurlijk heb je ook de betaalde opdrachten en podiumkansen voor creatieve en wetenschappelijke auteurs, die door organisaties als de onze mede verzekerd worden. Ik heb het onlangs nagekeken: in 2025 kregen 45 auteurs een schrijfopdracht, stonden er 63 auteurs op ons podium en speelden hier 17 muzikale acts. De KANTL is ook broodheer voor makers.
Mathijs: Ik krijg de indruk dat het kabinet overhaaste beslissingen heeft genomen over organisaties waarvan het de functie eigenlijk niet goed begrijpt. Het is opvallend dat de overheid een hoge mate van professionaliteit eist van de door haar gesubsidieerde organisaties, die hun beleid uitgebreid moeten verantwoorden in rapporten, maar die professionaliteit zelf niet aan de dag kan leggen als het gaat over het eigen beleid.
Judith: Tijdsdruk speelt hier een rol en is begrijpelijk in een begrotingscontext, maar voor organisaties met een decretale opdracht is voorspelbaarheid en continuïteit essentieel. Wij werken met meerjarige projecten en bouwen expertise op over jaren heen. Duidelijkheid over het kader waarbinnen we werken, helpt om die verantwoordelijkheid goed op te nemen.
Mathijs: In 2018 werd jullie decreet vernieuwd en kwamen er enkele verantwoordelijkheden bij. Wat is er toen allemaal veranderd?
Judith: Het aantal leden werd uitgebreid tot 40, wat ons de kans bood om het Genootschap te vervrouwelijken. Daarnaast kregen we er inderdaad een aantal kerntaken bij. Een bijzonder belangrijke daarvan is het via uiteenlopende vormen van publiekswerking toegankelijk maken van academische inzichten voor een breed publiek. En ook de literaire canonwerking werd toen als kerntaak toegevoegd. Om de vijf jaar stelt de KANTL een dynamische canon van de Nederlandstalige literatuur samen: een lijst van vijftig essentiële werken — je zou het kunnen zien als de tijdloze van onze letteren. Met dat project willen we ons literaire verleden blijven bevragen en het gesprek daarover levendig houden. Literair erfgoed moet niet worden bijgezet in een museum, maar deel blijven uitmaken van een levendig gesprek.
Nicolas: De canon is expliciet bedoeld als een vehikel voor vurig debat. We laten die lijst echt los op de wereld. Iedereen die graag leest of met literatuur bezig is, kan zich ertoe verhouden, erover discussiëren of aangeven wat ontbreekt. Er wordt soms stevig gediscussieerd over die keuzes, en dat is net de bedoeling.
Judith: Wij zien de literaire canon als het vlaggenschip van een bredere werking rond literair erfgoed. We willen die oude en minder oude teksten opnieuw doen spreken, voor nieuwe generaties en nieuwe publieken en zo een belangrijke leesbevorderende rol spelen.
Nicolas: Wat is er trouwens meer leesbevorderend dan iemand die je bewondert, een jonge dichter, een rapper of muzikant met literatuur bezig te zien? Wanneer een muzikant als Absynthe Minded een gedicht van Claus brengt, dan gebeurt er iets bijzonders. Die tekst gaat opnieuw circuleren, in een andere context en bij een ander publiek. Het boek, en al helemaal het oudere boek, moet soms over een drempel heen getild worden en daar kunnen wij met onze publiekswerking zoveel in betekenen.
Mathijs: Die drempel speelt wellicht nog sterker bij jongeren. Hoe maken jullie hen warm voor oudere literatuur?
Judith: Wij zoeken voortdurend naar manieren om taal en literatuur te introduceren bij wie er niet vanzelfsprekend mee in aanraking komt. In onze educatieve werking richten we ons bijvoorbeeld expliciet op leerlingen van de dubbele finaliteit en finaliteit arbeidsmarkt, het vroegere tso en bso. Dat zijn vaak de moeilijkste doelgroepen om aan het lezen te krijgen, maar wij zijn ervan overtuigd dat het kan, mits de juiste aanpak.
Onze methodiek is geïnspireerd door wat Jane Davis in Engeland doet met The Reader en door de werking van Het Lezerscollectief in Vlaanderen. We hebben dit vertaald naar het secundair onderwijs. Leerlingen lezen samen een volledig verhaal en verkennen aan de hand van gerichte, open vragen wat die tekst vandaag nog te zeggen heeft. Ze worden uitgenodigd om hun eigen ideeën en ervaringen te delen en die van anderen te leren kennen; de keuzes en gedachten van personages vormen vaak het vertrekpunt voor gesprekken over verschillen, over maatschappelijke en levensbeschouwelijke thema’s.
Door samen te lezen en te luisteren ontstaat er ruimte om dieper na te denken over wat literatuur kan oproepen. We merken dat die aanpak werkt: leerlingen raken betrokken, durven spreken en ontwikkelen een andere verhouding tot teksten die ze anders misschien nooit zouden openen. Diezelfde didactiek wordt ook toegepast in gevangenissen en woonzorgcentra, maar wij brengen die bewust binnen in de klaspraktijk.
Nicolas: Jongeren kunnen het dan nog altijd naast zich neerleggen, maar wij hebben ze tenminste dat aanbod gedaan. Ik vind dat essentieel: elk kind zou minstens één keer een opera moeten hebben gezien, geconfronteerd moeten worden met Claus, met Mariken van Nieumeghen, met mystieke literatuur. Al is het maar om te ontdekken dat het niets voor hen is. Maar je mag jongeren die kans niet ontnemen.
Mathijs: Voor de duidelijkheid, jullie zijn de enigen die dit aanbieden in Vlaanderen? Het is niet zo dat andere organisaties parallel met dezelfde dingen bezig zijn?
Nicolas: Er bestaan met het Letterenhuis en de erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience nog literaire erfgoedspelers, maar wat ons onderscheidt is de manier waarop we met literair erfgoed werken. Wij zijn gevestigd in een imposant gebouw uit de achttiende eeuw, het Huis van Oombergen in Gent, maar als wij iets organiseren, proberen we altijd expliciet werelden, genres en generaties te verbinden. Combinaties van gevestigde auteurs met debutanten bijvoorbeeld, of van spoken word-dichters met de meerstemmige experimentele poëzie van iemand als Veva Leye, of een danser die aan de slag gaat met Gerard Reve. Die combinatie van het klassieke met een nieuwe, diverse stedelijke cultuur, met experiment en pop of rock confronteert – en verleidt hopelijk ook – een publiek met een ongekende diversiteit. Zo breken we uit een bepaald – sommigen vonden het wat stoffig – cultureel korset.
En dan is er ook onze rol in Gent zelf. Die nemen we heel bewust op. Tijdens de Gentse Feesten organiseren we samen met het Trefpuntfestival het literaire programma Zomerlief gaat vreemd. Daarbij stellen we onze infrastructuur gratis ter beschikking van zoveel mogelijk Gentse literaire spelers. We vertrekken echt van onderuit: organisaties krijgen een tijdslot en vullen dat volledig naar eigen inzicht in. We bemoeien ons uitdrukkelijk niet met de inhoud. Het resultaat is een gratis literair festival waarin literaire uitgevers, tijdschriften, cultuurfondsen en kleinere organisaties samen een bijzonder divers aanbod brengen, voor jong en oud. In zekere zin is het een momentopname van de Gentse literaire scene zelf.
Judith: Interessant is dat dergelijke initiatieven ons publiek verbreden. In onze zaal komen vandaag verschillende generaties en achtergronden samen: scholieren en studenten, gepensioneerden, schrijvers en wetenschappers. Waar ons publiek vroeger vrij homogeen was, is het nu duidelijk gemengder.
Nicolas: Dat heeft veel te maken met hoe we programmeren. Als je iemand als Bregje Hofstede uitnodigt, weet je dat je een relatief jong publiek aantrekt. Plaats je haar naast iemand als Miriam Van hee, die bij dat specifieke publiek misschien minder bekend is, dan hoor je mensen achteraf zeggen: wie was dat, zo goed! Dat soort kruisbestuivingen maken we graag mogelijk.
Of neem nu onze canonwerking. Voor elke canontekst gaan we actief op zoek naar hedendaagse auteurs die er een duidelijke affiniteit mee hebben. Zo praat Peter Verhelst met veel enthousiasme over Hadewijch, en laat Joke van Leeuwen zien hoe verrassend actueel Anna Bijns vandaag nog is. Christophe Vekeman fungeert door zijn grote belezenheid en uitgesproken liefde voor onze literaire klassieken zowat als onze ambassadeur tout court. En het blijft zich uitbreiden: recent ontdekte ik bijvoorbeeld dat auteurs als Sarah de Koning en Safae El Khannoussi uitgesproken fans zijn van respectievelijk Een revolverschot van Virginie Loveling en van de personages uit het werk van Nescio.
Mathijs: Ja, of Arno Van Vlierberghe die affiniteit heeft met Ivo Michiels. Er is een grote verwantschap tussen jongere auteurs en die meer experimentele en eigenzinnige teksten van de canon.
Judith: Absoluut. Hedendaagse auteurs zijn zelf ook vragende partij om terug te grijpen naar dat verleden. Iedereen die wij uitnodigen om met een tekst uit het literaire erfgoed aan de slag te gaan, zegt enthousiast ja.
Mathijs: Het lijkt me ook belangrijk om te benadrukken dat die auteurs jullie ook nodig hebben. Je kan op je eentje geen culturele continuïteit tot stand brengen. Dat weven aan verbanden is per definitie een collectief gebeuren, en jullie maken dat mogelijk.
Nicolas: Er bestaat een vorm van literatuurbeleving die sterk in de actualiteit staat: met toplijstjes, prijzen en interviews. Ik volg dat graag, met de literaire canon voegen we er zelfs een lijstje aan toe, maar met de KANTL vertegenwoordigen wij die andere laag van taal en literatuur, die draait rond continuïteit, doorwerking en verbanden over de tijd heen.
Judith: Wij hechten veel waarde aan het trage dat met literatuur verbonden is. Lezen, schrijven, interpreteren en verbanden leggen vragen tijd. We willen ons daarbij niet loszingen van de actualiteit of van de snelle wereld, maar wel, voor mensen van alle generaties, een rustpunt bieden. Ook op andere manieren proberen wij dat langetermijnperspectief te belichten. In onze digitale werking bijvoorbeeld: we ontsluiten taal- en letterkundige bronnen voor publiek en onderzoekers, via onze CTB-website (Corpora, Tekstedities en Bronnen). Het gaat om meerjarige projecten als Vrouwen van papier, waarin vrijwilligers historische briefwisselingen transcriberen, in dit geval de correspondentie van Guido Gezelle met meer dan 200 vrouwen, of de digitale teksteditie van Elias of het gevecht met de nachtegalen. Ook het digitaliseren van dialectkaarten en het verzamelen van taalkundige data vraagt tijd en continuïteit. Projecten zoals het NELL-project, dat taalverandering en -variatie wil onderzoeken, zijn complementair aan initiatieven die taalperceptie in kaart brengen. Samen vormen ze een kennisbasis waarop beleid kan steunen. Jammer genoeg komen dergelijke projecten nu in het gedrang.
Mathijs: Wat ik hier ook uit begrijp is dat het overlap-argument in het geval van jullie universitaire samenwerkingen evenmin opgaat, want onderzoeksprojecten aan universiteiten zijn meestal beperkt in de tijd doordat ze vastzitten in een financieringsstructuur van enkele jaren.
Judith: Inderdaad. Het unieke van de KANTL is dat wij taal- en letterkundige projecten die langere tijdshorizon kunnen bieden.
Mathijs: Wat jullie doen past, in meer algemene zin, ook goed binnen de lijn die de regering uitzet in haar regeerakkoord. Daarin staat dat het Nederlands als gemeenschappelijke taal versterkt moet worden in onderwijs en samenleving.
Judith: Ja, wij dragen daar op een heel directe manier aan bij, al richten wij ons zelden op de basis. Initiatieven zoals Ieder kind taalheld zijn cruciaal: zij focussen grotendeels op vroege taalontwikkeling in crèches en het basisonderwijs, waar een stevige basis wordt gelegd. Die investering is noodzakelijk en verdient ook blijvende aandacht.
Onze werking situeert zich bewust in de fases die daarop volgen. Wij werken verder op de leeslijn: vanaf het secundair onderwijs, via jongeren en studenten, tot volwassenen en ouderen. Precies daar dreigt vandaag een lacune te ontstaan. Taalvaardigheid alleen volstaat niet; mensen moeten ook ervaren dat taal en literatuur betekenisvol, uitdagend en relevant zijn.
Mathijs: Vanuit mijn positie, dus als onderzoeker actief in het onderwijsveld en actor in het literaire veld, zie ik een opvallende gelijkenis tussen die twee domeinen wat betreft de visie op taal. Het gaat in beide gevallen om een zeer enge, uitgeklede versie van wat taal precies is: een instrument dat dient tot communicatie en dat moet worden aangeleerd zodat taalgebruikers zo goed mogelijk kunnen deelnemen aan de samenleving, wat concreet betekent: kunnen werken en integreren. De vormen van taalbeleving die daarbuiten vallen, worden vanuit beleidsperspectief als weinig relevant beschouwd.
Nicolas: Filosofe Tinneke Beeckman formuleerde dat treffend in een opiniestuk in De Standaard: cultuur moet ofwel meetbaar renderen, ofwel expliciet emancipatorisch zijn.
Judith: Maar taal en literatuur zijn meer dan een instrument. Taal is meer dan taalverwerving, literatuur is meer dan leesbevordering.
Nicolas: Als een tekst alleen nog in een onderwijscontext bestaat, verandert ook de manier waarop we ernaar kijken. Hij wordt iets om te doorworstelen, iets waarbij uitleg nodig is. Terwijl een tekst ook op zichzelf waarde heeft en aantrekkelijk kan zijn, los van een concreet doel of een bepaalde toepassing.
Mathijs: Er is een belangrijk element in de werking van de KANTL waarover we het nog niet hadden: jullie internationale rol. Kunnen jullie daar iets over vertellen?
Judith: De KANTL maakt deel uit van een internationale traditie. Ook andere Europese landen hebben Academies, waar een genootschap en een professioneel team samen de rijkdom van de eigen taal, letteren en het literaire erfgoed uitdragen. Bekende academies in het buitenland zijn de Zweedse Academie, waarvoor wij jaarlijks een Nederlandstalige Nobelprijskandidaat voordragen. De Académie Française is ook gekend, maar daar liggen de kerntaken iets anders. Het belang van academies is groot, ook internationaal. Bijzonder ook is de onderlinge solidariteit van internationale Academies, die zich verenigen in samenwerkingsverbanden als ALLEA en de European Alliance of Academies.
Nicolas: Er is een grote evolutie in de taken van de academie geweest sinds onze oprichting in 1886. Een tiental jaar geleden was er in Duitsland een internationaal colloquium van alle academies over de vraag: wat is de rol van een academie anno nu? Een belangrijke conclusie was dat academies net waardevol zijn omdat ze boven de waan van de dag kunnen opereren en ruimte bieden voor reflectie en verdieping.
Judith: Die internationale uitwisseling mag je je heel concreet voorstellen. Onze literaire canon wordt bijvoorbeeld aan verschillende buitenlandse universiteiten gebruikt als vertrekpunt voor onderwijs, onderzoek en discussie. In sommige contexten vormt die canon zelfs de basis om een eigen, lokale canon samen te stellen, als dialoog of kritische reactie. Op die manier draagt de KANTL bij aan afstemming, debat en samenwerking binnen de internationale neerlandistiek. Dat is geen detail: er studeren vandaag meer studenten Nederlands in het buitenland af dan in Vlaanderen en Nederland zelf.
Mathijs: Kunnen onze lezers iets voor jullie doen?
Nicolas: Betrokkenheid tonen. Reageren, vragen stellen, laten weten dat wat hier gebeurt, ertoe doet.
Judith: En vooral het gesprek gaande houden. We hopen dat er ruimte blijft voor een publiek debat over de rol en de betekenis van de KANTL, vandaag en morgen.
Overzicht van evenementen en publicaties
Evenementen
21 februari, Book launch ‘THEY LIED TO YOU ABOUT THE EUNUCHS’ by Odete (Brussel)
23 februari, Atelier d’écriture (Brussel)
25 februari, Masques Mascaradesques, met Şengül Özdemir (Brussel)
3 maart, Slam et papote, met Marie Darah (Brussel)
7 - 29 maart, Ville en Poésie 2026 (Tournai)
9 - 31 maart, Le printemps des poètes (België)
12 maart, La slamerie, met François Laurent (Huy)
14 maart, Le grand prix de poésie (Brussel)
16 maart, L’Engravement, met Eva Kavian en Anne-Sophie Sterck (Brussel)
18 maart, Bundelpresentatie ‘Villa Alllucina’ van Annemarie Estor (Antwerpen)
21 maart, Uitreiking Herman de Coninckprijs 2026 (Antwerpen)
21 maart, Boekpresentatie ‘De 44 beste gedichten van de Herman de Coninckprijs 2026’ (Antwerpen)
21 maart, Nuit de la poésie (Brussel)
26 - 29 maart, Foire du livre (Brussel)
29 maart, The Writer is Present, met Uschi Cop en Astrid Haerens (Oostende)
1 april, Het Schrijversparlement, met Alara Adilow, Hans Depelchin, Alix Garin & Mel Moya (Brussel)
Publicaties
Rhea Cecile en Pol Cosmo, Vergeven van mensen (Borgerhoff & Lamberigts, januari)
David Huyghe, Olifantenvleugels (Pelckmans, januari)
Geert Viaene, Remedies tegen onverschilligheid (Uitgeverij P, januari)
Karel van de Woestijne, Een vrucht, die valt (bloemlezing) (Uitgeverij P, januari)
Alice Wasinski, Le couteau dans le geste (Ravages, januari)
Christophe Gilot, Tentative d’épuisement d’un jeu de quatrains (Cactus inébranlable, januari)
David Jauzion-Graverolles, Ciné-Tram (Le Coudrier, januari)
Éric Clémens, La mort existe pas (L’âne qui butine, januari)
Mahtab Ghorbani, Aucune main n’exécutera notre liberté (maelstrÖm reEvolution, januari)
Mario Alonso, Fusillades (Cactus inébranlable, januari)
Raïssa Yowali, Les mille soleils de Busu Jano (L’arbre de Diane, januari)
Zéphyr Seynave Drèze, Pour mieux lécher les flammes (Ravages, januari)
Maya Wuytack, Iets wat raaskalt iets wat stil is iets wat breekt iets wat overblijft iets wat de nacht doorbrengt met mij (PoëzieCentrum, februari)
Annelies Verbeke, Charmolypi (De Geus, februari)
Pim Cornelussen, Tot de zon zwelt (Pelckmans, februari)
Bo Vanluchene, De transformatiemachine (Uitgeverij P, februari)
Carl Norac, Le livre de la lueur (Éditions Bruno Doucey, februari)
Carmelina Carracillo, Hiver au monastère (Couleur livres, februari)
François Emmanuel, Avant que nos corps s’illuminent (Le Chat polaire, februari)
Jan Baetens, Bulletin du Touring club (L’herbe qui tremble, februari)
Lylybeth Merle, Échardes (L’arbre de Diane, februari)
Marie Meuleman, Camille se réveille (CotCotCot, februari)
Pascale Auraix-Jonchière, La Rose et l’Éventail (Le Taillis Pré, februari)
Patrick Devaux, Avaloirs (Le Coudrier, februari)
Roland Ladrière, La Danse universelle (Le Taillis Pré, februari)
Thierry Werts, Là où trébuche la lumière (Éditions La Trace, februari)
Flemish Review de la Poëzie is een tijdschrift voor literatuur in Vlaanderen en België. De redactie bestaat uit Benjamin De Roover, Ewoud Goethals, Hanna De Grave Loyson, Astrid Dewaele en Mathijs Tratsaert.
Wil je graag reageren of bijdragen? Contacteer ons via flemishreview@gmail.com. We verwelkomen lezersbrieven en zijn momenteel actief op zoek naar critici en essayisten.
Sinds januari 2026 worden we structureel ondersteund door Literatuur Vlaanderen. Danku Vlaamse Gemeenschap!


