Flemish Review de la Poëzie #19
December 2025
In deze editie van Flemish Review de la Poëzie vind je:
(We raden aan om FRP in je browser te lezen, sommige emailproviders breken het bericht halverwege af omwille van de lengte.)
Gedichten uit Oostende (2023) van Martín Zícari
vertaald en ingeleid door Tijl Nuyts
Martín Zícari (Buenos Aires, °1989) is een Argentijnse auteur die sinds 2016 in Brussel woont. Hij behaalde een doctoraat in de culturele studies aan de KU Leuven en beweegt zich tussen de literatuur en de academische wereld, tussen de beeldende kunsten en de performancekunst. Eerder publiceerde hij onder meer de roman Scalabritney (2014) en de dichtbundels Pequellpu (2015) en Del Príncipe Azul al Hombre Invisible en una Semana (2018).
Zijn meest recente publicatie is Oostende (Paripé Books, 2023), een hybride boek waarin uitgepuurde poëzie, ritmische prozagedichten en bij momenten erg kwetsbare dagboekfragmenten een intrigerende dans aangaan. Die dans vindt plaats tussen twee punten op de wereldkaart, meer bepaald tussen twee steden aan weerszijden van de Atlantische Oceaan: de Belgische badstad Oostende en de Argentijnse kustplaats Ostende, die aan het begin van de twintigste eeuw door Belgische emigranten werd gesticht. De relatie tussen die tweelingsteden weerspiegelt het basismotief van het boek: dat van Zícari’s migratie van Argentinië naar België. Eind 2016 reisde hij met een beurs naar dit land, niet alleen om er te doctoreren, maar naar eigen zeggen ook op zoek naar ‘een vonk’ die hij in zijn thuisland niet kon vinden.
Zícari vestigde zich in Brussel, waar hij een plek vond om met afstand terug te blikken op gebeurtenissen in Buenos Aires die hem op verschillende manieren hebben getekend. Die terugblik krijgt een schriftelijke weerslag in het boek, dat Zícari’s spoor gedurende vier jaar volgt doorheen België en daarbuiten, tussen Brussel, Gent en Antwerpen, tussen Buenos Aires, Mexico-Stad en New York, tussen Rotterdam, Tucson en Frankfurt – en uiteraard ook tussen de twee Oostendes. Dat resulteert in een beweeglijk relaas dat niet alleen een ruimtelijk maar ook een innerlijk traject blootlegt. In Oostende reflecteert Zícari over hoe het voelt om aan te komen in een land waar je de taal (of talen) niet kent, hoe vriendschappen en queer relaties vormkrijgen op verschillende plekken, hoe slapeloosheid de taal aantast en hoe therapie en performancekunst bronnen kunnen vormen voor nieuwe, zoekende vormen van tekstualiteit.
Voor Flemish Review de la Poëzie vertaalde ik een reeks van twintig prozagedichten uit Oostende. In een lyrische afdeling die opvalt door de ritmische, nerveuze en vaak ook humoristische toon verknoopt Zícari gebeurtenissen en motieven die allemaal op de een of andere manier voortkomen uit wat hijzelf zijn orientación of ‘oriëntatie’ noemt. Die omvat niet alleen zijn verplaatsingen in de straten van de Brusselse gemeente Sint-Gillis en de vele andere plekken die hij in de droomachtige afdeling aandoet, maar ook zijn seksuele oriëntatie en het kluwen aan keuzes dat ertoe heeft geleid dat hij het ene land voor het andere verruilde, om zo zijn eigen levenspad te volgen.
(Noot: in het Spaans van Argentinië hebben het woord negro en het afgeleide verkleinwoord negrito een andere betekenis dan het n-woord in het Nederlands of het Engels. Het wordt soms pejoratief gebruikt om te verwijzen naar mensen uit gemeenschapen in de Conurbana van Buenos Aires die in villas wonen, zowat het Argentijnse equivalent van favela’s. Tegelijk wordt het woord in sommige generaties in een niet-pejoratieve context ook als koosnaampje gebruikt, zoals in Mercedes Sosa’s lied Duerme, Negrito, waar Zícari in zijn tekst ook naar verwijst.)
* * *
Ik ga met de trein terug naar Brussel. Door de jas, de winter en de laarzen, de jeans en de hoofdtelefoon voel ik me volwassener – ik bezit voorwerpen! Ik luister naar Terry Riley, ik probeer me goed te voelen, met zijn album Sun Rings in mijn oren, de trein rijdt verder en ik vraag me af: waar zal deze oriëntatie me naartoe leiden?
*
Het eerste waar de gedachtekronkels van deze cerebrale draaimolen me naartoe voeren is naar mijn collega, de mystica, die gelooft dat er een klein biologisch verschil bestaat dat we nu eenmaal moeten erkennen, ze zegt dat ‘een vrouw moeder kan zijn’ en ik denk: is dat wat ze in Argentinië especismo, speciësisme, noemen? Of hoe zeg je dat ook weer? Joana, Mari – zullen zij ook moeder willen worden? Dat Flors melk overvloedig blijft stromen, dat Juliáns vader hem leert dansen en een folkloristische plaat voor hem oplegt, dat hij hem changuito, kereltje, noemt – zo mooi! Chango, kerel! Wat een traditionele naam! Negro, zo noemde hij me – waar zal deze oriëntatie me naartoe leiden? Of, beter, waar heeft die me al gebracht? Tot in de auto van een kerel wiens naam ik niet ken, tot in het bed van een jongen die ik heb beledigd. Naar blikken vol verlangen, dromen over vrienden van het middelbaar.
*
Een concert op het Belgische platteland, het gezang van de gelovigen, mystici, ze brouwen bier, mixen drankjes, ze zingen meerstemmig, stenen muren, winter. In de kachel, lekker warm, nestelt een schorpioen, ik loop door de straat die nog maar net geplaveid is en glanst.
*
In welke richting ga ik? Wandel ik naar het café? Stap ik op tram 81 en blijf ik schrijven tot ik in Ukkel aankom? Of ga ik naar huis, met onvaste pas? Zal ik alleen zijn? Zal ik verder kunnen luisteren naar Terry Riley, naar de zingende monniken – en ik glijd uit, een slippertje, ah! De winter, de wind, de koude vloer, het huis! De handgeschreven letters! De ervaring! Schrijven!
*
Ik loop de heuvel van Sint-Gillis op, sla af bij de wasserette, de hond – ja! – verwelkomt me bij de deur, thuis. Decoratie van schelpen in het toilet, onafgewerkt. De hond kijkt bedenkelijk mijn richting uit en legt dan het tapijt recht. Hij tikt zijn neus tegen me aan, haalt het tapijt overhoop, herschikt het dan weer.
*
Ik bezit voorwerpen! Mijn nieuwe microfoon, mijn klarinet, ik ben eindelijk klaar met boete te doen, ik gun mezelf voorwerpen, de monniken vieren feest, ze bereiden een banket voor en zingen. Ik gun mezelf voorwerpen, onverwoestbare, dure voorwerpen. Een beetje decoratie, al zijn de schelpen nog steeds niet vastgeplakt en is de kunst ingelijst in simpele kaders. Maar mijn microfoon! Mijn hoofdtelefoon! Mijn nieuwe laarzen! Lekker warm! Goed geluid en stevig materiaal, onverwoestbaar. Ik neem geschenken aan, stevige geschenken die me wortels geven in mijn ballingschap. Toch reis ik ook, ik ga naar Mexico, ik ga naar Tucson, ik ga naar Frankrijk, ik geef zoveel uit, de inkt vloeit, ik teken cheques, oefen mijn handtekening, schrijf cursief – zo barok!
*
Ik kom thuis, nadat ik de kerel in de auto heb overtuigd om me af te zetten, nadat ik alleen uit het toilet gekomen ben, een sms om me te verontschuldigen heb geschreven, nadat ik weer een tatoeage heb laten zetten, weer een slapeloze nacht heb doorstaan: ik ben een vrij mens, ik hecht niet aan mijn lichamelijke voorbestaan, zo herhaal ik steeds weer, in de fitnesszaal van mijn geest. Ik ben al drie jaar ziek en ik voel me goed. Een vriend zet een tatoeage bij me, ik ken de artiest: hij stierf aan aids – zo mystiek! Hij wilde geen nieuwe behandeling proberen – hij bekommerde zich niet om zijn lichamelijke voortbestaan! Hij vertrok naar Brazilië en zocht Perlongher op, ze vastten, ze aten chia, spirulina en hennepzaad. Ze keken uit over de zee in Rio de Janeiro, ze dachten aan Descartes, doorkruisten ommuurde steden en praatten over filosofie, sowieso verzonnen ze dingen, ze herhaalden wat hun professoren aan de universiteit ooit zeiden, toen die nog stevig op hun voetstuk stonden, ze wandelden door de ommuurde stad zonder zelfs maar om zich heen te kijken. Wat een schoonheid lieten ze aan zich voorbijgaan! Een UNESCO-landschap!
*
De monniken maakten boter, ze bereidden eend, en zij deden ondertussen hun beklag over vooruitgangsverhalen, de onontkoombare noodzaak van een autoritaire regering, de ethische Greta, het meisje Greta! Robots, kinderen van psychoanalytici dringen mijn gedachten binnen, ze hebben hun libidinale energie op orde en negeren al hun symptomen, ze triomferen, verdienen geld en versturen e-mails, checken duizend keer hun inbox. Zo barok van hen!
*
De ommuurde stad, het dorp in twee gesneden door de promenade, de violen in het veld van Chango. Changuito! Negrito! Loop niet te dicht bij de violen, kom niet dichterbij, zit en zwijg, de muzikanten. Dat is Lysy! Lysy de muzikant! Opletten hoor!
*
Mijn voetstappen weerklinken in mijn hoofdtelefoon, de botten van mijn passen, de botten van mijn nek als ik mijn hoofd draai, de wind die toch binnenkomt – al is het een dure hoofdtelefoon, de wind komt erin en blijft er suizen, gevangen. Ah! Wat een genot.
*
De winter en de kou, deze wandeling, de heuvel van Sint-Gillis op, ontroerend om de koepel van de kerk te zien in de verte en de violen erbij te denken, een of ander Keltisch ritme – zo mystiek! De schorpioen die zich warmt aan het vuur, zich opmaakt om tevoorschijn te komen. Hij voelt de warmte – zou hij in de war zijn? Hoe ontwikkeld is zijn bewustzijn eigenlijk? Denkt hij dat de zon hem verwarmt, denkt hij dat de zon een levend lichaam is? Een steen? Of weet hij dat de man het vuur heeft aangestoken en dat het ook weer uitgaat? Al blijft de steen nog even warm, straks koelt ook die af.
*
Ik ga op in mijn vriendengroep van het middelbaar, ik leer me te verstoppen in de kapel tijdens de speeltijd. Wat een ontlading veroorzaken die liefdes, wat zijn die lichamen diep! Zo beschikbaar! Ah! Hij zegt me: ‘Nee! Niet die lichamen!’ De verbeelding, de ontsnappingsverhalen! Het vooruitgangsverhaal is zo verleidelijk! Ze zeggen dat mijn zus het licht uit de kapel heeft gestolen, het eeuwige licht dat flikkert.
*
Ik hoef maar mijn hand uit te steken en de mannen in de auto’s stoppen, naamloos. Wat een genot om trillend over de aardeweg te lopen, de kortste weg, waar ooit een macumba-altaar was. De auto’s, de promenade, en dan weer naar huis, de trap op en slapen – eindelijk! Slaap zacht, negrito, zingen de mystici.
*
De verwarde mannen, de dokters, de bewoners van de krottenwijken, de linkse militanten die later verkrachters zullen worden, de familieleden die met hun auto’s komen pronken, hun wapens, hun privéchauffeurs, ik was ze stuk voor stuk vergeten – ze waren zo barok! In het dorp vegen door Mercurius gestuurde boodschappers hun sperma af aan een oranje flanellen shirt. Ah! Wat een momenten, nieuwe vrienden, drugs, goedkope alcohol! Muntlikeur op de hoek, Rubbens, de met klimplanten overwoekerde ingang, de LSD in het huis van mijn baas, zijn ogen, het recital van Air, ah!
*
De benedenverdieping met de patio, eerst nog zonder meubels, zonder ruimte, enkel een rolletje fooi en een kaart van Banco Rio om kopies te kopen, zoveel huizen zonder meubels, zonder voorwerpen – allemaal zo vergankelijk! Mijn zus doet een siësta in mijn vergankelijke rotanstoel. Wat een vergankelijkheid, en mijn nieuwe woonkamer, mijn nieuw huis, leeg; de mannen zijn nu kinderen, zonder auto’s, ze zitten in kamers en smeken om vergiffenis, ze beledigen iedereen, ik ben verward en boos.
*
De tweede keer dat ik voor mijn oriëntatie kies. Waar zal die me deze keer naartoe brengen? De eerste keer naar een etentje in een goed restaurant, wit tafelkleed, alleen wij drietjes – dat deden papa, mama en ik normaal nooit, mijn zussen waren alomtegenwoordig en ik was diepgelukkig met mijn oriëntatie, het gevoel dat ik uitgenodigd was, de geschiedenis, het restaurant met de bakstenen muren, witte bekleding, houten meubels, en zij, nieuwsgierige en pragmatische wezens, en ik, met mijn oriëntatie, voel me nu vreemd genoeg oorlogszuchtig – Mars drong bij me binnen, het gevecht, ah! Het eten was overheerlijk, de mannen en hun auto’s en de geschiedenis, ah! Wandelend in deze winter, die ik al niet meer voel, verdoofd, door de muziek, mijn voetstappen weerklinken in mijn hoofdtelefoon, ook al is die duur. De wolken. Zo gek! Ik kijk omhoog, ik zie de wolken. Ze bewegen zo snel! Langs de maan, in fast motion. Ik heb de goede weg genomen, de weg die langs het Parvis passeert, waar de cafés al sluiten. In de weerspiegeling zie ik er dik uit, vind ik, het ligt aan de jas, de jeans, de hond die aan me trekt, de wolken glijden voorbij snel-snel-snel fjoem-fjoem in archi-mega-semi-achtste noten snel-snel-snel. Ik kan niet anders dan oorlogszuchtig zijn vandaag, ik bén het, ik vecht en lijd en ontsnap en drogeer me en trip en niemand begrijpt me en ik neem de bus naar het treinstation en de trein naar de stad en de bus naar de universiteit, sta in de rij, koop kopies en verbrande koffie, met mijn nieuwe vrienden, we verstoppen een verleden, we studeren geschiedenis, we verzinnen herinneringen, geheugens, de lessen, de discussies over politiek, we vinden een perfect evenwicht tussen progressief en peronististisch, helemaal zoals het hoort voor wie geschiedenis studeert – en geen letteren of filosofie!
*
Het huis is te klein voor me, de ogen van mijn baas zeggen: we gaan je missen, en daar is een nieuw huis, nog leeg, zonder rotanmeubels, vergankelijk, een jongen die ik had uitgenodigd plaste per ongeluk op de handdoek van mijn vriendin! We lachten en smeerden ons in met een sterk geurende crème, stopten de kleren en het beddengoed twee weken lang in een plastic zak.
*
In het kleine huis kwamen ze opnieuw langs, mijn papa, mijn mama, en ik. Daar voltrok zich mijn tweede oriëntatie: mijn vriendje, nog een adolescent, dit keer zonder auto, maar mét zolderkamer, zonder wit tafellaken, goedkoop chinees eten van San Telmo, eetstokjes, ja! Die had ik altijd in huis, houten eetstokjes, van vergankelijke bamboe, nooit van metaal, of die dunne, rechtstreeks uit China. Ik met mijn opgerolde fooien, de briefjes die de heren voor me achterlieten, ik heb voor de afhaalmaaltijd betaald! Wat een festijn! Ik had een beetje van alles besteld, kantonees met een lepel en tandenstokers, met een vork, olie, een eitje in stukjes en mijn papa vraagt me: ‘Ben je zeker dat het niet gewoon een rebelse fase is?’ En ik die altijd zo vredelievend ben, zo diplomatisch, zo barok van geest! En mijn mama die zegt: ‘Als iedereen was zoals jij, bestond de mens niet’ – de menselijke soort! Wat een genot, wat een idee om met de menselijke soort af te rekenen gewoon door te bestaan, ze zouden me minister in de regering van het meisje Greta moeten maken, wat een genot is die tjaptjoi, armoede die je niet onder ogen wil zien, een chinees festijn en de drang om te huilen, dit keer zonder wit tafellaken op het hout, gewoon zo.
*
Destructief, drugs, mannen zonder auto, zonder eigen kamer, het bedrog. Pijnlijk. Een wrange nasmaak te denken dat ik machteloos ben maar toch ook verleid wordt door dat vooruitgangsverhaal, de gedachte dat het misschien beter wordt.
*
Deze relatie met jou, met die blauwe ogen en die kinderlijke ziel, dat lichaam van marmer, marmer uit Carrara, uit de stad van het marmer – bijna net zo wit als melk, we wandelden bijna nooit samen, zelfs niet naar de supermarkt, de seks, marmer. Wat zou er gebeurd zijn? Ik herinner me de foto waarop je er zo dierlijk uitzag, mythologisch bijna, een minotaurus, geitachtig, en tegelijk zo menselijk. Mijn vriendje met de zolderkamer. Net als mijn eerste liefde. Boven, terwijl we op de Nintendo speelden, elk apart, op onszelf, in extase! We hebben haar nooit thuis zien komen – zo triest!
Ik dank Elisabeth Goemans, Janne Van Beek en Bart Vonck van harte voor hun genereuze vertaaladvies.
oriëntatievariaties
door Anne Ballon
1.
omdat het landschap geen binnenkant heeft, geen ziel geen woorden geen hartenklop. is het daarom een sjabloon waarin haar lichaam te drogen ligt? misschien wordt hier alles (de tijd) uit de poel van de keel getrokken om een beweging te maken. twee oliezwarte handen op het water tussen de zwanen. zacht en nat en hard. en rood. misschien, om te kunnen vertrekken? de regen nog eens te voelen
dit zijn feitelijke verlangens. met naald en draad de nacht vastbinden en luisteren naar de stem van het vlees. akelig, zo’n val die doorzet, ademt als het hart van een bloem
het begint in het bos waar het zingt: een poplied. scherp als de doorn van de roos in de hals. meisjes, overal meisjes. indigo de nacht in, een choreografie geoefend. hun monden bewegen. men kan zien dat hun monden bewegen. alleen zingen ze niet, en nee, praten kan je het ook niet noemen. een mompelen van ‘kom hier kom dichter raak aan’
ook zij is die meisjes in het discolicht. de nacht kruipt tussen de lippen en rolt door haar heen. het verlangen een kleine bloem in open veld te zijn, en zaaddozen en grond en doosvruchten. de kleur van papaver in de handen te voelen. niets van dat. enkel de metalen adem waarin de wereld leegloopt, de lucht star blijft, hier blijft en bloedt
intussen hoort zij zijn hals, rank, openen
het herhaalt zich. steeds weer herhaalt het hoe ze op zoek naar vastheid van bot het lichaam spoelt met een greep. de topjes, het dansen in een artefact van een ander. en luisteren en bruine rum en elektriciteit en fruitvliegen aan kleefslinger. en mateloze warmbloedigheid en techno en bas en duizendknopen en de hond onder de bumper
eigenaardig hoe het leven zich ontvouwt in onbarmhartige ruimtes. dingen gaan stuk. ook al is er liefde, ook al is er stortplaats van bloemknoppen, van verstilde adempauzes waarin zij zich toestaat te dromen onder suikerhemels. zij staat op dat dak, smeert stof op de oogleden
aan de roze riviermond wordt een vrouw door zeeroggen naar het centrum gedragen
er is daar geen harp, geen muziekstuk. niets is daar nog. niets heeft geluid maar het komt, wederom in de borst gedrongen, een omen. er wordt daar niet gezongen, harp is niet waar handen het water bezingen met kromgetrokken vuistslag, metalliek gekleurd: ‘bijt me, harp, marcasieten stroming bijt me waar de cello me schrijft vanuit het bloeden’
het geweld nadert sneller dan de vinger die tussen de cyclamen de felheid waarmee zij bestaat, bezingt, vlamt onder roosgevorkte lucht: niet langer fysiek zijn de lichamen die ‘een andere manier van verlangen uitstralen, naar een waarde die zich verzet tegen accumulatie en bezit’
als wasgoed gedroogd tussen rododendron hangt het gestremde doek, nachtjapon? silhouet. hoe de dekkende olieverf het lichaam op te gieten? nooit vindt de vinger haar weg in het goudwespennest — maar zij probeert slechts een woord op te tekenen waarmee sedimenten worden geschikt: haar lichaam in het rode landschap, orgaanzoet, door erosie getekend. wat sijpelt het albast op? zij is niet alleen, de naakte ontzetting van een andere hartslag (een man) is hier ook. vanuit haar onderkomen bekent zij: ‘in Rome was er geluk. sneeuw zal weer vallen’
september laat iets achter. met de slagtand van rotsriffen bezingt zij kleur
2.
(kleurenstudies)
groen is rancune waardoor vrouwen kamers verlaten. met roestsmaak de nabijheid van dieren torsen, want buiten balt de massa in de hemel samen, begeeft ze zich tussen de zwarte mieren, staat ze stil, langs het meer, en ziet ze iets terug: schoonheid (een ding?), de kleur groen: hoe die vers wordt door vrieskou
roos is de kleur die herinnering dorst, de cederhouten tafel beslaat als een paardenslag. dan wordt het rood. ja, rood is een ding. rood is het einde en zegt meer dan eender welk woord dat vanbinnen spint, eender welk woord dat zijn blik in haar borst heeft gekrast
want soms komt hij tot haar, omgedraaid, druk met vloeistoffen en passief, een rotswand, schilderijen aan het maken van onbeweeglijke dingen, zijn penseelstreek trekt het geweld teder binnen. zij kan daar blijven staan en zeggen: ‘vertrek’. maar ik ben het die hem heeft binnengelaten, het lemmet tevergeefs heeft weggelegd
intussen weet ze niet meer hoe ze over hem kan praten, dus zal ze de hemel beschrijven. die is grijs, met cumuluswolken. kijk nergens anders naar. niet naar de vrouwen die rozen knippen, niet naar spijt een sirenenzang. niet naar de schuimkoppen, de ijsnaalden, de nachtmaterie, een wolk, niet naar het seizoen op het lichaam: winter tijdens de midzomernacht, niet naar hij die haar heeft uitgevoeld: de nagalm van een ander die groter en breder leeft
omtrent dit samenzijn weet ik dat we woelig de akker betreden. dat wij ons beiden richten op dit soort ogenblikken: wachtend op het blauwe woord, waarin niemand wordt bevrijd in het komen en nacht zich schikt, alsmaar, tussen stukgelezen woorden en malachieten meubels zoekend naar mijn contouren in zijn mond
‘alles aan deze periode is blauw. en ik kan niet zeggen dat blauw een kleur is. ik kan niet zeggen dat ik blauw bevoel zoals alle andere kleuren. blauw is niet als rood of geel, nee blauw is de kleur waarmee ik mijn hart stift. dat idee dat ik vechten wil’
zoals de zacht kloppende wonde, blijkt dit lot op de ribben gestift, een gemarmerde sculptuur die zich naar het licht richt op zoek naar de schakeringen van een heelhuids verhaal: zij probeert. zij probeert met viscose vod het bruisende bloed uit de schaamstreek te stelpen. withard en vochtig vraagt ze zich af waar ze uit elkaar zou vallen als het hart elders klopt? beteugelbaar, denkt ze, en ook aan de vorm van een dier dat slaapt, in haarzelf uitgezaagd wat ze uit de ander had gegraven. stopt hier, het lichaam? in haar mond als ware het de zon. zo wist ze: ja, het is er nog. als de zachte regen zal komen, als het verlangen verdwijnt. is ze op dool? is zij op zoek naar een centrum waar het karkas in kan rusten?
hier zijn geen engelen. hier zijn geen engelen. vrijwillig legt zij zich op het hakblok naarstig en gulzig zijn de ruimtes waar we uit elkaar kunnen vallen, van kleur zullen veranderen. daar is niets meervoudig, uitweidend, een aanraking. buiten dat beeld. emmers room. een mierenkoningin bijt haar vleugels af. dat beeld dat zich tot in het oneindige verstilt, inplooit tot dezelfde echokamer
binnen zijn is iets anders geloof ik:
Een fragment uit de novelle STA BIJ
door Leo Pleysier
En dan nu een gemakkelijke want zeer korte en kernachtige vraag uit de Mechelse Catechismus; Ziet en weet God alles?
Als kind heb ik op school die catechismusvraag nog uit het hoofd moeten leren om ze daarna niet alleen vlot te kunnen opzeggen, maar ook met bijgaand de opdracht het antwoord op die vraag levenslang te blijven onthouden.
Ja, God ziet alles. Hij kent zelfs onze geheimste gedachten. En hij weet alles, ook de toekomende dingen.
Welaan, dan moet God nu ook zien hoe ik me hier in dit bovenzaaltje van het Hoogstraatse restaurant De Zwarte Ruiter zit af te vragen of Dirk nog weet hoe dicht hij en ik altijd tegen elkaar aankropen wanneer we ons na schooltijd thuis in de keuken bij het AGA-fornuis zaten op te warmen van de vrieskou die er buiten heerste of om er onze natgeregende kleren te laten drogen. En ook: of hij nog weet dat ik hem altijd de beste en ook plezantste partner heb gevonden om buiten op ons erf te gaan voetballen of om binnen spelletjes te spelen? Muurtje klop. Dammen. Piffen. Mens erger je niet. Knikkeren. Pingpongen. Monopoly. En, als niemand het kon zien, dan hebben we ook wel eens doktertje gespeeld met elkaar — en God moet dat gezien hebben. Maar misschien dat hij daar wel een oogje voor zal hebben dichtgedaan toen.
En als God alles ziet en dat er aan zijn goddelijke blik niet te ontsnappen valt dan moet hij ook in de gaten hebben hoe mama en papa hier in dit bovenzaaltje van restaurant De Zwarte Ruiter elkaar nu al de hele tijd beduusd en verdwaasd in hun rotanzetels zitten aan te kijken. En dan moet hij ook weten hoe die twee geregeld met de handen in het haar hebben gezeten omwille van zoon Dirk die het tussen zijn twaalfde en zijn zestiende zowel thuis als op school danig bont wist te maken.
En vooruit, laten we hem dan maar eens van school veranderen in de hoop dat het helpt.
Maar nee, dat hielp niet.
En komaan, dan naar een andere school.
Maar die andere school, nee, dat hielp ook niet.
En dan nog maar eens veranderd. Maar nu veranderd naar een door Dirk zélf uitgekozen school. En dat laatste wil zeggen: de Provinciale Middelbare Landbouwschool gevestigd in de Antwerpse poldergemeente Stabroek.
En kijk eens aan: deze keer hielp de verandering wél. Want in die Stabroekse landbouwschool bleek het Dirk nu ineens wél goed af te gaan en het er naar zijn zin te hebben. Want naast godsdienst, wiskunde, geschiedenis, boekhouden, Nederlands en aardrijkskunde kreeg hij daar nu zowel theorie als praktijkles over plantkunde, landbouwmachines, veevoeding en bemestingsleer. En in zijn boekentas zaten voortaan leerboeken met titels als Melkkunde voor middelbare landbouwscholen door Ir. A. Hylkema, Bijzondere Plantenteelt door Ir. P.G. Meijers en Praktische Motorkennis door W. Philips evenals werkstukken en brochures die handelen over onderwerpen als De teelt van spruitkool door L. Van Der Linden, Ontleedkunde van de kip uitgegeven en verspreid door Merck Sharp & Dohme, De teelt van asperges door A. Mariën en Naaldbomen in onze tuinen door J. Cumps.
En terwijl God dat van in den hoge zat aan te zien, zal hij wel gedacht hebben bij zichzelf: aha, en, eindelijk, en waarom moest dat weer zo lang duren vooraleer die jongen op de juiste school terechtkomt? zal hij ongetwijfeld gedacht hebben.
Maar terwijl God op de hoogte was van het feit dat Dirk in Stabroek nu schoolliep met het vooruitzicht de boomkwekerij van zijn ouders over te nemen, wist hij ook al dat er van die toekomstplannen niets in huis zou komen. Want voor Dirk zal het immers foutlopen in het openbaar zwembad van Turnhout waar hij in de grote vakantie samen met een paar kameraden gaat zwemmen. Zonder dat iemand het in de gaten heeft, zal er daar gedurende een paar dagen iets niet pluis zijn met de kwaliteit van het zwembadwater, en Dirk zal er een bacteriële infectie oplopen.
Zelfs ook dat laatste wist God toen al. Dat wist hij lang van tevoren en zelfs van begin af aan al wist hij dat. En dat terwijl mama en papa zich na het overlijden van hun zoon nog jarenlang het hoofd zullen breken over hoe en waar en wanneer Dirk die smerige infectie heeft opgelopen. Maar dat het antwoord op die vraag lang in het ongewisse is gebleven, dat is nog maar goed ook, zo zal God in den hoge toen bij zichzelf gedacht hebben. Want het is niet omdat ikzelf alles vooraf en tot in de finesse weet dat mijn schepsels dat ook allemaal moeten weten, zo zal hij wel gedacht hebben toen.
Nu ja, zelf vond ik het niet eens spijtig dat wij, zijn ouders en zijn zussen, maar van zo weinig wisten toen.
En spijtig vind ik het nog altijd niet.
Want het is zo lang geleden allemaal. Zo verschrikkelijk lang geleden.
Zo lang geleden dat ik van dat drama het fijne zelfs niet eens meer wíl weten.
Ja maar, ik wel hoor! zegt God.
Ik wist er toen alles al van en ik weet er ook nu nog alles van.
Echt alles.
Alles wat gebeurt en alles wat er is gebeurd.
Maar ook wat er daarna nog moest gebeuren en vervolgens ook ging gebeuren.
Dat wist ik al.
En alleen ik wist het.
Ik alleen.
En niemand anders.
Want ik ben niet alleen de allesziener maar ook de allesweter, zegt God.
O ja? Echt?
Maar nu denk toch ik dat de God van de Mechelse Catechismus, anders dan toen en anders dan ik dacht, daar vandaag toch een toontje lager over zingt. Want hij weet natuurlijk ook dat vandaag een kleine, gespecialiseerde en belanghebbende groep van zijn schepsels over alles en iedereen almaar meer te weten komt, en soms al bijna evenveel weet dan hijzelf weet. En dat laatste was en is nog steeds niet de bedoeling, zo moet de God-van-de-Mechelse-Catechismus daar hoog op zijn troon in de hemel nu bij zichzelf zitten denken soms.
De novelle STA BIJ van Leo Pleysier verschijnt in maart bij De Bezige Bij
Alfabetische lijst van echte en imaginaire ziektes
door Mieke ‘Mik’ Schelstraete
“1. The patient was a good, normal, healthy child; until she gradually began
2. to be bad, to do or say things that caused great distress, and which were on the whole ‘put down’ to naughtiness or badness, until
3. this went beyond all tolerable limits so that she could only be regarded as completely mad.”
R.D. Laing – The Divided Self
ADD
Op een ochtend wordt me verteld dat dit de laatste keer geweest is. Mijn moeder houdt een beschimmelde boterhamdoos in haar ene hand en met haar andere hand omklemt ze mijn schouder. “Luister je wel?” Mijn hoofd deint heen en weer terwijl ze me dooreenschudt, alsof ik ja knik.
ADHD
Uit het dossier van psychiatrische instelling X.:
Patiënt M. kan zich moeilijk concentreren tijdens de les en pleegt zich tijdens de lestijd bezig te houden met dwangmatige handelingen zoals blaadjes papier uit een commercieel geruit cursusblok rechthoek per rechthoek inkleuren, gommen afpulken en balpennen ontmantelen. De patiënt is een duimzuiger en een dagdromer die zich volgens hun moeder niet interesseert in de andere kinderen.
Agorafobie
Een vrij veel voorkomende maar hinderlijke ziekte. Dit is (mijns inziens) de oorzaak van mijn alcoholverslaving (door de alcohol lijken de mensen minder dichtbij te staan).
Algemene angststoornis
De kinderen staan samen met hun begeleider net achter het hoekje van de inkomhal. Hier staan ze buiten het zicht van de juffrouw achter de balie, die aan haar bureaustoel zit vastgeklonken en wiens blikveld wordt ingeperkt door de vaalgele muren rondom haar. Haar enige optie is vooruit, door het balieraampje. Het grote raam naar buiten achter haar biedt geen uitweg, van daaruit ziet ze enkel de toppen van de bomen en dan moet ze zich ook nog eens wegdraaien van de wachtzaal. Eén voor één trippelen de kinderen van achter de hoek de inkomhal in, stoppen ze voor het raampje en vragen ze waar het toilet is. Daarheen, de vrouw wijst naar rechts, maar de kinderen keren steeds terug naar links, terug achter het hoekje, naar de begeleider, waar de andere kinderen staan te wachten en stilletjes juichen. Waar is het? Naar rechts. En het kind gaat naar links.
Autisme
Uit het dossier van psychiatrische instelling X.:
Veranderingen in het schema maken hen prikkelbaar. Als M. van streek is, verwondt die zichzelf (door bijvoorbeeld hun hoofd tegen een muur te slaan) en anderen (door bijvoorbeeld te knijpen, aan haren te trekken en punaises te verstoppen in boekentassen). M. zette hun eerste stapjes op hun 20 maanden en werd zindelijk tijdens hun vijfde levensjaar. Die sprak hun eerste woordje toen die 6 jaar oud was. Tijdens ons onderzoek stelden we vast dat M. een zwaarlijvig maar gezond jong meisje is dat onregelmatig oogcontact maakt, maar wel vaak uit hun ooghoeken tuurt naar therapeuten en docenten. M. heeft een prachtige glimlach en lachte tijdens het onderzoek soms in zichzelf, maar meestal is hun gezichtsuitdrukking ingetogen en discreet.
Bipolaire stoornis
Uit het dossier van psychiatrische instelling Y.:
M. is kwetsbaar en ‘hulpbehoevend’. Hun vorige opname vond plaats na een (zelf)destructieve wervelwind van onveilige seks, drugs en alcohol die een week duurde. M. kwam zelf met de hulpvraag: “Help me alsjeblieft”, staat in hun dossier te lezen, “Ik heb me schuldig gemaakt, en ik vrees dat ik me nooit meer in onschuld zal kunnen wassen. Wie kan vergeven wie nooit meer genezen kan? Eén mens alleen is niet genoeg om hiervoor te boeten. Ik ben verloren.” De patiënt trekt bij het spreken vaak vreemde grimassen die niet corresponderen met de emotionele inhoud van hun boodschap. Bij deze patiënt werd een cruciaal gebrek aan inhibitie vastgesteld. Een langere opname wordt deze keer ten zeerste aangeraden. Al hun vorige opnames heeft die voortijdig stopgezet, steeds met desastreuze gevolgen voor zichzelf en hun omgeving.
Uit de vorige dossiers, korte fragmenten uit dagboeken en verslagen van therapiesessies in psychiatrie X. blijkt dat M. met een achterstand geboren is. Die achterstand heeft door een gebrek aan adequate begeleiding tot een zeer laag zelfbeeld geleid. Het is voor ons klaar als daglicht dat dit lage zelfbeeld de motor is achter de destructieve acties van M.
BIID
Al mijn hele leven droom ik stiekem van een amputatie. Zo lang ik hier opgesloten zit, zal het me niet lukken, maar ik heb een plan. Ik heb een lang en nauwkeurig onderzoek gevoerd en ik weet precies wat ik moet doen met het jachtgeweer van mijn vader. Ik zal de bossen in trekken. Het draaihek past precies rond mijn dij, de perfecte plaats om net voldoende druk uit te oefenen. Ik zal de tweeloop tegen mijn knie zetten en ik zal niet missen. Niet alleen mijn knieschijf wil ik vermorzelen, ik wil mijn been zo toetakelen dat er geen enkele optie is behalve amputatie. Tegen de dokters zal ik zeggen dat het een jachtongeluk geweest is.
Chronische diarree
Een lichamelijk symptoom van chronische stress.
Faalangst
Wat moet ik doen? Ik weet zeker dat het me deze keer zal lukken.
Hyperseksualiteit
Uit het dossier van psychiatrische instelling X.:
M.: “Soms word ik zo geil dat ik de controle verlies”
T.: ▉▉▉▉▉▉▉▉▉▉▉▉▉▉
M.: “Mijn gedrag interfereert herhaaldelijk met andere belangrijke (niet-seksuele) doelen, activiteiten en verplichtingen.”
T.: ▉▉▉▉▉▉▉▉▉▉▉▉▉▉
M.: “Ik maak steeds dezelfde fouten. Ik kan de klok niet meer terugdraaien, maar ik weet ook niet wat ik anders zou doen.”
Kleptomanie
Ik herinner me een klein piratenbootje dat ik had gestolen uit de klas. Ik had het stiekem in mijn rugzak gestoken en meegenomen naar huis. Hoewel ik het toen nooit aan iemand heb opgebiecht, schaam ik me er heel erg voor.
De schaamte is ondraaglijk. Ik probeer me ervan te verwijderen door mezelf uit te trekken als natte kleren, maar het blijft me achtervolgen. Ik word er misselijk van. Ik haat jullie allemaal.
Klinische depressie
Lange, dode dagen vol motregen, zwarte of grijze vlakken. Ik heb er niets over te zeggen. Wekenlang op je zij liggen en er drie dagen over doen om je om te draaien.
Koudvuur
Uit het dossier van ziekenhuis B.:
Patiënt werd bewusteloos binnengebracht met ernstige verwondingen aan de voet. De voet is vermoedelijk tijdens een incident met het eigen geweer beschadigd geraakt. Na de verwonding verloor de patiënt het bewustzijn voor meerdere dagen, waardoor de wonde besmet is. Het meest waarschijnlijke scenario is dat de patiënt op weg was naar de bossen om daar te jagen, maar door hun onervarenheid met het omgaan met vuurwapens in hun eigen voet schoot. De mesthoop waar die gevonden werd door een lokale boer ligt net bij de bosrand. De mest is naar alle waarschijnlijkheid de reden van de infectie die is vastgesteld.
Vermoedelijk weegt de dehydratatie in dit geval zwaarder door, maar we vermoeden dat het koudvuur zeker heeft meegespeeld in hoe snel de patiënt is overleden.
Leerproblemen
Uit het dossier van middelbare school A.:
De leerling spreekt ‘literatuur’ uit met een merkbare slis en zegt ‘intiem’ waar die ‘intimiderend’ bedoelt. Tijdens de gesprekken zat de leerling steeds voorovergebogen en kwam deze bijzonder gedemotiveerd over.
Liefdesverdriet
Uit het dossier van psychiatrische instelling X.:
De patiënt slaagt er enkel in om zich op een liefdevolle manier te verhouden tot iemand wanneer de desbetreffende onbereikbaar of dood is. Aangezien de patiënt iedere interesse verliest zodra er sprake is van wederkerigheid zijn gewone relaties hier uitgesloten. De patiënt omschrijft zichzelf als ‘wanhopig romanticus’ maar kiest er in feite voor om ieder reëel romantisch contact uit de weg te gaan. Hun object van fixatie bestaat enkel in de verte.
Longkanker
Dit heeft te maken met het kettingroken, dat te maken heeft met mijn ziektes, maar misschien ook met opvoeding, jeugdtrauma’s of genetica.
Narcisme
Uit het dossier van psychiatrische instelling X.:
M. ‘verontschuldigt’ zich vaak voor hun gedrag.
Schizofrenie
Uit het dossier van psychiatrische instelling Z.:
M. bedreigt een buschauffeur met een mes. Wanneer de chauffeur vlucht, gaat M. op zijn plaats zitten en rijdt naar hun bestemming, waar die de bus tegen een boom crasht. Later blijkt dat M. uit verwarring het mes in plaats van hun portefeuille uit hun handtas had genomen. Toen de chauffeur op de vlucht sloeg, vond M. er niets beters op dan zelf het heft in handen nemen. M. ging achter het wiel zitten om de orde van de dag te herstellen en zo min mogelijk zaken te verstoren.
De psychiater is van mening dat M. zich gedurende geen enkele periode van hun leven normaal heeft ontwikkeld, en dus weinig ervaring heeft met de echte wereld.
Sociale fobie
Enkel als ik gedronken heb durf ik buiten te komen omdat de mensen me altijd recht in de ogen willen kijken.
Suïcidale gedachten
Uit het dossier van psychiatrische instelling Z.:
M.’s natuurlijke predispositie tot dramatisch taalgebruik maakt het peilen naar deze parameter bijzonder moeilijk. Uitspraken zoals “Ik ga letterlijk dood”, “Ik maak me letterlijk van kant” en “Ik zou letterlijk liever sterven” vallen nooit samen met hun eigenlijke betekenis maar zijn wel diagnostisch significant in het vaststellen van andere potentiële persoonlijksheidsdefecten.
Transvestiestoornis
De lijdensdruk is klinisch significant.
Zelfverwonding
“Je zoekt alternatieve manieren om extreme emoties te uiten en je kijkt samen met de hulpverlener naar de reden voor je zelfverwonding. Zo kom je samen tot oplossingen.”
Natuurlijk.
Een strik
door Marc Kregting
Hoe uitgestreken je gelaat, het licht van de
flits is trager dan de glans in je pupil die
vraagt voor je vrouw of er water bij de haas,
hoe retebezet wil je krant zijn, gevouwen tot
de blue feel bezit neemt van de hand die reeds
in de jouwe rust en gamet bij de kans dat er
ergens in de rebbe een pater is die haar etst,
doet breken de trouw.
Overzicht van evenementen, publicaties en nieuws
18 december tot 4 februari, Wandel langs weesgedichten (Berendrecht-Zandvliet-Lillo)
20 december, Mémoire de nos racines, met Paola Guillen, Leticia Assemien, Nadejda Perreti, Yessi Ormea en Mel Moya (Amay)
21 december, Lotte Dodion bij Spoor 19 (Mortsel)
29 december tot 13 januari, Meta Morf, tentoonstelling Poëzieweek met Winke Hosseld (Antwerpen)
30 december, Einde thema-expo Moeders, gecureerd door Anneleen Van Offel (Antwerpen)
31 december, einde expo Jan Walravens & Hugo Claus. Een artistieke vriendschap, gecureerd door Hans Vandevoorde (Antwerpen)
4 januari, Vredeswake: muziek, stilte, poëzie, licht en duister (Kruisem)
6 januari, De van Strijtemse school voor poëzie (reeks 3), met Ivo van Strijtem (Ternat)
9 januari en 10 januari, Shall I...? met Roel Swanenberg (Hoogstraten)
10 januari, Boekvoorstelling Virginia Woolf. Een lichtboei tussen twee golven, met Magda Michielsens en Marina De Bruijn (Antwerpen)
10 januari, Bar poème (Brussel)
13 januari, La chair poétique, met Tristan Cassir en Selim-a Atallah (Brussel)
14 januari, Poëzie: Speel met taal (Aartselaar)
15 januari, voordrachten in het kader van Europalia España, met Jesús Carrasco en Virginia Mendoza (Brussel)
16 januari, Apéro poésie (Brussel)
16 januari, Rumi Passion, een voorstelling rond de poëzie van Rumi (Mechelen)
18 januari, Winters zondagsalon: Maud Vanhauwaert (Halle)
18 januari, De levens van Claus met Mark Schaevers, Els Dottermans en Jan Decleir (Beveren)
21 januari, Auteursgesprek met Matthijs de Ridder (Antwerpen)
21 januari, Workshop Spelenderwijs “Pret met poëzie” (Zottegem)
21 januari, Dramaturgie van het loslaten met Max Greyson en Sander Claes (Hamont Achel)
22 januari, Lancering van Ravage Éditions (Namen)
22 januari, Soirée Poésie, met Boykid en Mhø (Namen)
23 januari, Bal Bavard, met Siméon MB, Réianne Ismaïli, Laurence Vielle en Mélanie Isaac (Brussel)
23 januari, Max Greyson // Dramaturgie van het loslaten (Hamont)
23 januari tot 26 januari, Kleine formaten - Gedichten en werken in dialoog (Couvin)
25 januari, Festival poetas in het kader van Europalia España, met Ángelo Nestore, Cristian Alcaraz, Elsa Moreno en María Sevilla (Brussel)
27 januari, Olivia Elkaim praat over haar bundel La disparition des choses (Brussel)
28 januari, Startshow Poëzieweek 2026: Metamorfosen (Gent)
28 januari, Saint Amour, met Stefan Hertmans en Charlotte Van den Broeck (Gent)
28 januari, Dierenfabriek, workshop poëzie schrijven (Antwerpen)
29 januari, Gedichtendag 2026 met Siel Verhanneman en Vincent Coomans (Brugge)
Van 29 januari tot 4 februari is het Poëzieweek, met meer dan tweehonderd activiteiten in Vlaanderen en Nederland. Bekijk ze hier.
Nieuwe bundelpublicaties
Yves Namur, Les Poètes de la rue Ducale (bloemlezing) (Éditions de l’Académie, oktober)
Vincent Tholomé, L’existence (Dernier Télégramme, oktober)
Sarah De Koning, Tekstielen, (Querido, november)
Jana Arns, Tussen messen slapen (Uitgeverij P, november)
Alex Deforce, Tot nu toe (PoëzieCentrum, november)
Ella Wassenaar, Rode Runen (Pelckmans, november) (met teksten van onder meer Mona Thijs, Annelies Verbeke en Zindzi Tillot Owusu)
Béatrice Libert, Dans le dos de la nuit (L’Atelier du Grand Tétras, november)
Blaise Lesire, Félicité au sous-sol (Cactus inébranlable, november)
Coline Hezard, Rien que de l’air, (Le Chat polaire, november)
Christelle Legros, Ô masculin…, (Bleu d’encre, november)
François Lallier, Accidents de lumière (La Lettre volée, november)
François Rannou, Ce temps nôtre écru (La Lettre volée, november)
Jean-Luc Outers, L’Arbre et le vent (La Pierre d’Alun, november)
Patrick Lorenzini, Les Os qui rêvent (Cactus inébranlable, november)
Patrick Henin-Miris, Marche et rêve (Cactus inébranlable, november)
Pierre Vandenheede, Fragments liquides (Academia, november)
Rémi Checchetto, Pourquoi ça s’arrêterait la guerre? (Les Carnets du dessert
de lune, november)
René Beaulieu, Le Petit Vent d’été qui souffle sur nos vies (Academia, november)
Rachel Cholz, Trois pour cent sauvages (La Lettre volée, november)
Perrine Le Querrec, Christa (Les Carnets du dessert de lune, december)
Tristan Sautier, Miroyances (Le Coudrier, december)
Nieuwe vertalingen
Henri Michaux, Dageraad op klaarlichte dag, vert. Bart Vonck (PoëzieCentrum, november)
Nieuw secundair werk
Paul Claes, Poëtica. ABC van de dichtkunst (PoëzieCentrum, november)
Nieuws
Namen is een uitgeverij rijker: Ravage Éditions.
Niet te missen
Hoe kunnen auteurs op een kritische en genuanceerde manier omgaan met generatieve taalmodellen zoals ChatGPT? Deze vraag vormde het uitgangspunt voor een briefwisseling tussen Siebe Bluijs en Mathijs Tratsaert in Poëziekrant.

