In deze editie van Flemish Review de la Poëzie vind je:
Een voorpublicatie uit de debuutbundel Tekstielen van Sarah de Koning
Een bespreking van Breken is bouwen. Vijfenzeventig jaar Vijftigers van Graa Boomsma, door Lisa Rooijackers
Een overzicht van literaire evenementen (november) en nieuwe publicaties
(We raden aan om FRP in je browser te lezen, sommige emailproviders breken het bericht halverwege af omwille van de lengte.)
Aankondiging: ‘Ta langue over mijn tong’ op Flirt Flamand
Literatuurhuis Passa Porta nodigde de redactie van FRP uit om een avondprogramma samen te stellen voor Flirt Flamand, het Brusselse festival dat Vlaamse literatuur bij Franstalige lezers brengt. Die kans lieten we niet aan ons voorbij gaan. Het lukte ons om Caroline Lamarche, Dominique De Groen, Bob Vanden Broeck en Eugène Savitzkaya te strikken voor een nieuwe editie van ‘Ta langue over mijn tong’, ons programma waarbij Vlaamse en Franstalig-Belgische auteurs elkaars werk in vertaling lezen. Redacteur Ewoud Goethals verzorgt de presentatie.
De avond gaat door op zaterdag 15 november om 20u in boekhandel Les Yeux Gourmands in Sint-Gillis. Meer info (en gratis tickets) kan je vinden op de website van Passa Porta.
Tekstielen
door Sarah de Koning
Jij weet: in mij is er een vette aarde. Een voorgevoel van leven, en slordig onomkeerbaar, als een zwevende schroef, rood en naakt tot de punt, of ingevlucht als een ijskoud iets mooi metaal, en doorboord: zo’n stok die in de grond slaat en dat wat dan hier nu aanhaakt, wuft als wol of wolk adem. Kan ik het houden, is het van mij, voel ik er hartstocht voor: onbedoeld. Al is het dát maar: dit frivole vliegen vangen of het even vinden en beschaamd te zeggen dat ik dacht dit hebben vlucht jou eindelijk uit mij.
(…)
Neem nu mezelf, zoals ik wakker word en onbeschermd, iets binnenin zich barstensvol bolde en bozig sloeg rondom God weet het, een klapdeur die invalt, een spitse zwemmer die zich afduwt zo de kant af of snijwitte fruitbomen die tuiten tot vorst, ze ranselen de ruiten en de auto’s zakken slakkerig het spoor af met linten aan licht, naakte nestvlieders met hun honger die onvindbaar is, maar kijk hoe lamp na lamp lazarus mijn kop als een vlammende struik laait en weer dooft; pas bij ochtend adem ik uit mijn rillende ziel een sterfte die de loef ophoudt in mijn hoofd, dat de mens een dwalend dier is, zeg je.
*
En dat ik weer kan zien wil ik zeggen en gezocht heb: manshoge materie en de vele paden die als kronen uit je wegslaan; laaiende luchtwortel met een puntig geslepen schminkoog en tot salvo getelefoneerd jouw slepende toon, de slepende kogel die roerend remt voor de slaap, de hoestende lijn en ik veer rechtop in bed, kletsnat van licht hoewel ik alle gaten dicht zolang je buiten vreest voor binnen en binnenblijft en blijft, bij mij, de liefde mij blijft, zo verder.
*
Onder de letter, die zoveel te zien krijgt, langzamerhand zo onleesbaar voor mezelf geworden en gewoon; hoewel ik gegroeid ben naar mezelf en glimmend koper de zon in knal met mijn gepolitoerde zeesmoel, golfslag: dat je ooit zei dat mijn kop alle kansen te kijk zette, zo knap was ik en zelfs koud in manieren. Het spijt me, ik hou van je en kan niet: categoriseren, kiezen, gezien we verstrikt zijn als koor en ik voorkeur noch verlangen tot vier poten heb wijl ik wankel zo op twee, of geen, want voorover lig ik in bed en ben ik best eenzaam, voorsprong op verlaten.
*
Tekstielen, de debuutbundel van Sarah de Koning, verschijnt op 19 november bij Uitgeverij Querido.
Breken is bouwen, minder is meer.
door Lisa Rooijackers
Afgelopen mei verscheen Graa Boomsma’s Breken is bouwen. Vijfenzeventig jaar Vijftigers. De Vijftigers braken na de Tweede Wereldoorlog met de traditionele literatuur en kozen expliciet voor het experiment, waardoor ze ook wel ‘de experimentelen’ worden genoemd. Hun poëzie werd beïnvloed door stromingen als het dadaïsme, het surrealisme en het modernisme. Namen die vaak gekoppeld worden aan de beweging van Vijftig zijn onder meer Lucebert, Hugo Claus en Gerrit Kouwenaar. Zij werden opgenomen in bloemlezingen als Atonaal (1951) van Simon Vinkenoog, Nieuwe griffels schone leien (1954) van Paul Rodenko en Vijf 5tigers (1954), ingeleid door Kouwenaar. Breken is bouwen is het eerste echte overzichtswerk van Vijftig sinds R.L.K. Fokkema’s Het komplot der Vijftigers (1979). Dat is op zichzelf al goed nieuws, maar Boomsma heeft nog een troef: met dit onderzoek wil hij ruimte maken voor de in de literatuurgeschiedenis geminimaliseerde of zelfs buitengesloten Vijftigers, zoals vrouwelijke of Vlaamse schrijvers. ‘Nooit eerder was Vijftig zo’n compleet verhaal’, aldus de achterflap. Dit kloeke werk bestaat uit zes hoofdstukken: over Vijftigers en de Tweede Wereldoorlog, de historische avant-garde, vrouwelijke schrijvers, Vlaamse schrijvers, literaire bladen en ‘het woord en het beeld’.
Voor deze bespreking richt ik me voornamelijk op het vierde hoofdstuk: ‘Opstandigheid verrukkelijke arend. Vlaamse Vijftigers en Vijfenvijftigers.’ Daarin behandelt Boomsma dertien Vlaamse (semi-)Vijftigers: Albert Bontridder, Ben Cami, Remy C. van de Kerckhove, Marcel Wauters, Maurice D’Haese, Erik van Ruysbeek, Adriaan De Roover, Paul Snoek, Hugues C. Pernath, Gust Gils, Willy Roggeman, Clara Haesaert en Chris Yperman. Tussen de bedrijven door komen er ook schrijvers voorbij als Jan Walravens, Louis Paul Boon, Hugo Claus, Gaston Burssens, Paul van Ostaijen, Guido Gezelle, Paul De Vree, Christian Dotremont en René Gysen.
De lezer loopt verloren
Ondanks (of misschien juist door) het initiële enthousiasme om al deze bekende en minder bekende namen door de lens van Vijftig te mogen bekijken, is het lastig om tijdens het lezen van het hoofdstuk niet een sluipende teleurstelling te voelen. Boomsma’s stellingen en vergelijkingen worden niet altijd even helder uitgelegd, of zelfs helemaal niet uitgelegd, waardoor je meerdere malen op niet bijster overtuigende aannames stuit, of honderd pagina’s terug moet bladeren om duiding te zoeken. Dat laatste is het geval wanneer Boomsma Willy Roggemans ‘Handbreed is de greep van Übermensch naar underdog’ uit indras (1973) gelijkstelt aan Luceberts ‘van de afgrond en de luchtmens’ zonder daar veel dieper op in te gaan of er nog een punt mee te maken. Een korte uitleg over Luceberts ‘übertier’ en ‘ondier’ is twee hoofdstukken terug te vinden (‘Zaoem, boem, dada, zimzoum, zazie. Vijftigers en de historische avant-garde’), maar dat Roggemans ‘underdog’ – dat toch ook andere connotaties oproept dan de woorden ‘ondier’ of ‘afgrond’ – daar het equivalent van is, moeten we vervolgens maar aannemen. Het tempo ligt hoog, de tekst gaat onverbiddelijk door.
Boomsma loodst het werk van bekende avant-gardisten of Vijftigers (waarbij Lucebert als keizer de kroon spant) wel vaker op een (te) vlotte manier de tekst binnen. Zo betrekt hij regels uit Clara Haesaerts Levenslang het vermoeden: gedichten 1953-1993 (1993), ‘In de witte kamer / van de verbeelding’, kort op Stéphane Mallarmés ‘nulpuntverlangen’. Dat kan een mooie invalshoek zijn, maar omdat vergelijkingen als deze zo terloops genoemd worden en onuitgewerkt blijven, compliceren ze de boel eerder dan dat ze ophelderen. Het gaat wellicht ook wat ver dat Boomsma dezelfde regels bombardeert tot een heuse ‘vooruitwijzing’ naar Kouwenaars Totaal witte kamer (2002).
Als betrokken lezer wil je Boomsma graag geloven, maar er is simpelweg te weinig context om elke bewering te kunnen slikken. Hij fietst snel door de oeuvres en de lezer blijft vaak verloren en verward achter. Bijvoorbeeld wanneer Boomsma beweert dat Haesaerts poëtische beelden, ondanks de vormvastheid, wel degelijk ‘des Vijftigers’ waren. De drie genoemde beelden: ‘versteende meeuwen’, ‘verroeste klok’ en ‘verdronken klank’. Die verdronken klank is met zijn vervreemdende zintuiglijkheid ook voor een beginneling op het gebied van Vijftigers nog te plaatsen, maar het blijft gissen voor de lezer wat er precies vernieuwend is aan een verroeste klok. Haesaert moet haar subhoofdstuk bovendien delen met de enige andere vrouw in dit hoofdstuk: Chris Yperman. Boomsma classificeert Ypermans proza al voor het bespreken van haar werk als prefeministisch, maar keert daar later helaas op geen enkele manier naar terug.
Zo zijn er meer losstaande beweringen of wetenswaardigheden die het zonder aanleiding of vervolg moeten doen, waardoor het extra onduidelijk is waarom bepaalde informatie wel of niet aan bod komt en waarom juist daar. Dat Gust Gils ook beeldend kunstenaar is, is interessant: ‘In Drie partituren (1962) bracht Gils – die ook beeldend kunstenaar was – zijn eerste drie poëziebundels uit de jaren vijftig samen.’ Aangezien dat niet aan het begin van Gils’ subhoofdstuk wordt vermeld, maar vrij plotseling ergens halverwege, verwacht je dat daar direct meer uitleg en voorbeelden op zullen volgen. Dat is niet het geval, waardoor je nog een tijd zoekend vooruit (of terug) blijft lezen om te zien of je iets mist. Zo’n ramp is dat niet, maar het draagt allemaal bij aan een rusteloos leesproces.
Als een onderzoeker per se vaart wil maken en niet telkens elke vergelijking of verwijzing uit wil leggen, is het belangrijk dat lezers in ieder geval ergens, liefst aan het begin van het boek, een overzicht kunnen vinden van de kenmerken van het onderzoeksobject. Je kunt geen overzichtswerk schrijven en het daadwerkelijke overzicht achterwege laten. Dat is waarschijnlijk het grootste en merkwaardigste gebrek van Breken is bouwen. Het bevat bulken tekst vol namen en titels en jaartallen, maar een heldere definitie van wat Vijftig eigenlijk is, ontbreekt.
Langzame overval
Het meest problematische deel van dit hoofdstuk is misschien wel het laatste: ‘Rotterdamse coup rond Gard Sivik?’ Het tijdschrift Gard Sivik werd in 1955 opgericht door Gils, Hugues C. Pernath en Paul Snoek, alhoewel in de door Boomsma vaak aangehaalde tweede druk van Jan Walravens bloemlezing waar is de eerste morgen? de levende experimentele poëzie in vlaanderen (1960) René Gysen – een schrijver die Boomsma zo goed als niet behandelt – ook wordt geïntroduceerd als ‘mede-oprichter’. Boomsma vertelt dat de Rotterdamse vrienden Hans Sleutelaar en Cor Vaandrager zich in 1957 aansloten bij Gard Sivik, dat Sleutelaars woning het adres van het redactiesecretariaat werd en dat de bemanning van het tijdschrift steeds Hollandser werd, tot Gysen als enige Vlaming overbleef in 1963. Vervolgens stelt Boomsma de vraag of er nu sprake was van een ‘coup en een machtsovername’ (aldus Armando en Vaandrager), een ‘sluipend proces’ (Sleutelaar) of een ‘langzame overval’ (Gils). Daarnaast zet hij zijn vraagtekens bij de in literatuurgeschiedenissen aanwezige aanname dat deze ‘Zestigers’ zich voornamelijk af zouden zetten tegen de Vijftigers.
Op die eerste kwestie gaat hij erg kort in, op de tweede des te uitgebreider, wat tot gevolg heeft dat zo’n tachtig procent van dit subhoofdstuk gaat over hoe een aantal van de Nederlandse redactieleden van Gard Sivik (Armando, C. Buddingh, Sleutelaar, Vaandrager en Hans Verhagen) en hun ‘nieuwe poëzie’ zich tot de Vijftigers verhielden. Daar eindigt dit vierde hoofdstuk in zijn geheel ook mee, waardoor je als lezer perplex achterblijft: waar zijn mijn Vlamingen gebleven? Alsof Boomsma zijn goede voornemen langzaam uit het oog verloor en zijn interne Hollander het stuur automatisch weer overnam.
Vervolgens gaat het veel omvangrijkere vijfde hoofdstuk, met de wel erg intense titel ‘Het Woord van Merlyn op Podium in Randstad door Maatstaf met Raster bekeken’, over ‘Vijftigers en de literaire bladen’. Had dit deel van de geschiedenis van Gard Sivik dan niet daar een plek kunnen krijgen? Daar was het blad allicht niet voldoende Vijftig voor.
In zijn algemene inleiding beschrijft Boomsma dat het derde hoofdstuk over vrouwelijke Vijftigers niet is bedoeld ‘om hen apart te zetten, maar om hun rol te benadrukken, die te lang verzwegen of veronachtzaamd is.’ Of hij daarin helemaal geslaagd is, durf ik niet met zekerheid te zeggen en is wellicht een aparte bespreking waard. Wat dit hoofdstuk betreft, voelt het soms wel alsof Vlamingen als moetje in deze hoek van het boek zijn beland. Dat gevoel blijft hangen wanneer er in de resterende kleine tweehonderd pagina’s zo goed als geen spoor meer te bekennen is van de dertien schrijvers. Gils en Remy C. van de Kerckhove worden ieder een enkele keer terloops genoemd. De namen van Albert Bontridder, Ben Cami, Pernath en Snoek komen een paar keer meer voorbij, zij worden in één tot twee alinea’s iets uitgebreider behandeld. Dat was het dan. Wel krijgt de lezer nog Vlamingen C.C. Krijgelmans, Wim Meewis en Daniël Robberechts (en een vleugje Ivo Michiels) cadeau, die ieder twee tot drie alinea’s innemen naar aanleiding van hun bijdragen aan Randstad. Verder moeten we het qua Vlamingen vooral doen met Hugo Claus en de gebruikelijke verwijzingen naar Paul Van Ostaijen, wat op die manier toch enigszins resulteert in het oude bekende verhaal. Dat is jammer, want tussendoor proef je wel degelijk Boomsma’s brede belezenheid en toewijding.
Aanmoediging en uitnodiging
Met momenten levert Boomsma’s nobele poging om oeuvregericht onderzoek te doen namelijk echt wat op. Bijvoorbeeld wanneer hij met citaten uit verschillende publicaties door de jaren heen een mooi thema (de wankelheid van de eigen identiteit) in het werk van Marcel Wauters zichtbaar maakt, zonder de lezer deze rode draad opzichtig in het gezicht te duwen. Sterker nog: een verduidelijking hier en daar was wel zo behulpzaam geweest.
Behalve Wauters’ engagement, de invloed die Van Ostaijen en het surrealisme op hem hadden en zijn blik op de ontoereikendheid van taal, is in Boomsma’s lezing van deze schrijver een intrigerend spel te ontdekken met het continue verschuiven van het ik, met zelfreflectie, inherente tegenstellingen en de (on)mogelijkheid om te belichamen wat je wil zijn of denkt te zijn. Dat komt sterk naar voren in herkenbaar en herhaald gebruik van ogenschijnlijk normale werkwoorden als zijn, blijven, gaan en worden. De novelle Hipoteek (uit 1962, hoewel er 1960 in Boomsma’s noten staat) eindigt Wauters met de zinnen ‘Ik ben definitief weggegaan. Ik ben definitief gebleven.’ In de bundel Nota’s voor een portret / wit tegenbericht (1967) klinkt het volgende: ‘hij die een beeld ontwierp dat hij was / vóór het ontwerp was ontworpen / dat hij niet zijn kon / vóór het volbrengen was volbracht’. En:
sereen en alleen in het avondlicht
dat nauwelijks de kamer binnen dringt
en tot slaap en rust mij nodigt
ben ik ga en wacht ik tot ik ben
geworden niets dan
onmeetbaar iets op een vlak van tijd en ruimte
En ook later in Vergeeld dossier (1980) is dat spel met de ‘ik’ aanwezig:
ik bleef en ben
hoe
of wat
het haperend klateren
dat ik geworden was
Zulke regels vallen als cadeaus in je schoot. Hier leidt Boomsma’s focus op de teksten zelf tot iets moois en kun je je als lezer mee laten voeren. Zolang je je tenminste niet stoort aan een erg haastige vergelijking met Van Ostaijen en Lucebert of de aanmatigende toon wanneer Boomsma spreekt over Wauters’ ‘marginale positie als dichter’ en zijn ‘geestige kortebaanstukjes’. Dat laatste verkleinwoord lijkt misschien een mier van een detail, maar het valt sneller op wanneer het voorgaande hoofdstuk over de vrouwelijke Vijftigers (‘Meer dan meisje, moeder, muze, hoer of heilige. Vrouwen als Vijftiger’) nog vers in je geheugen ligt. Daarin spreekt Boomsma ietwat denigrerend van Til Brugmans klankgedichtjes die in gestencilde tijdschriftjes werden gepubliceerd, zoals Sonja Prins in het eerste hoofdstuk over de Tweede Wereldoorlog (‘Fout of niet fout, was dat de vraag?’) een uitgeverijtje dreef. Dat is best moeilijk te vergeten, alhoewel het enigszins helpt dat Boomsma later Braak (oftewel ‘dat pestblaadje in de periferie’) en Blurb ook blaadjes noemt. Dat doet in elk geval hopen dat Boomsma zijn diminutieven niet speciaal bewaart voor vrouwen of Vlamingen.
De beste momenten in Breken en bouwen zijn die waarop de samenhang tussen de oeuvres, het netwerk van Vijftig, maar ook van de Vlamingen onderling, daadwerkelijk evident is. Wanneer terugkerende thema’s en taligheid de teksten duidelijk verbinden: van de naoorlogse desillusie tot het verbrande gelaat van de schoonheid, van lichamelijkheid tot het experimentele vernietigen, het breken dat bouwen is – woorden uit Boomsma’s titel die overigens niet alleen bij Gerrit Kouwenaars Het duurzaamst bouwen is het breken (1986) te vinden zijn, of in Simon Vinkenoogs gedicht ‘De brekers en bouwers’ uit Enkele reis Nederland (1957), maar blijkens dit vierde hoofdstuk ook in Louis Paul Boons oude werktitel voor zijn Kapellekensbaan/Zomer te Ter-Muren (1953/1956): ‘Ook de afbreker bouwt op’. Deze samenhang was Boomsma’s grootste doel, zoals hij die ook in het interview door Liliane Waanders in Awater (zomernummer 2025) verwoordde, na een overmoedige veeg uit de pan aan het adres van minder ambitieuze wetenschappers: ‘Als ik me bewust gechargeerd uitdruk en me een hyperbolische zin mag permitteren: er bestaat een praktijk waarin nogal wat luie academici zonder visie en met weinig stilistische kracht veel bloedeloze historische overzichten hebben geschreven die zichzelf ondermijnen door dor schematisme, ver weg van de literaire bron: de teksten zelf. Dáár was het me om te doen. Ik wilde niet reproduceren wat er al was, maar een boek schrijven waarin duidelijk wordt hoe bij de Vijftigers alles met alles samenhangt.’
Boomsma toont inderdaad continu (met wisselende overtuigingskracht) overeenkomsten tussen alle auteurs. Dat gebeurt expliciet, maar soms ook impliciet, en die overeenkomsten zijn niet minder intrigerend. Verbanden die wat minder nadrukkelijk aanwezig zijn, kunnen door de oplettende lezer worden opgepikt. Zoals hoe de Vlaamse schrijvers zich eigenlijk verhielden tot het toenmalige Vlaanderen, met name het overheersend conservatieve en nationalistische deel ervan. Pernath dicht: ‘In Vlaanderen is de poort niet breed.’ Ondertussen steekt Gils de bittere draak met de Leeuw van Vlaanderen: ‘elf juli en de slappe leeuwen dansen // in de radio die ik niet op heb staan / wordt dit ogenblik ongetwijfeld / een slagvaardige kantate ten gehore gebracht.’ Het was uiterst relevant geweest als Boomsma juist deze verwijzingen en context nog meer had meegenomen in zijn besprekingen. Als we stellen dat we (deels dan toch) met twee verschillende literaturen te maken hebben, zoals ook Jan Walravens benadrukte in waar is de eerste morgen?, dan vraagt een vergelijking tussen die twee literaturen ook om een vergelijking tussen twee culturen. Daar had Boomsma wellicht geen ruimte voor en dat blijft vervelend: de reikwijdte van zijn onderzoek vereist gewoon veel meer context, ook al past die simpelweg niet in dit ene boek (en waarschijnlijk ook niet in twee of drie boeken).
Hoe dan ook moedigt Breken is bouwen duidelijk op vele manieren boeiend nieuw onderzoek aan, zelfs al is de wijze waarop niet altijd even pakkend (de in de eerste noot van het boek pontificaal geplaatste lijst van 74 dichters die zijn ‘aangeraakt’ door Vijftig heeft bijvoorbeeld iets absurds: moet dit de definitieve groep nazaten van Vijftigers voorstellen, en op grond waarvan zijn zij aangeraakt, en andere dichters niet?). Naast die aanmoediging tot onderzoek nodigt Breken is bouwen, en dat is minstens zo belangrijk, absoluut uit tot lezen. Dat is misschien juist wel te danken aan de sneltreinvaart die Boomsma maakt om al zijn oeuvres in één boek te verenigen. Tipjes van de sluier smaken nu eenmaal snel naar meer. Nu Boomsma niet alleen bekende, maar ook iets obscuurdere werken naar voren schuift, maakt hij het des te gemakkelijker voor de lezer om zelf op zoek te gaan. Ik ben hem in elk geval erg dankbaar voor een aantal titels.
Schatkamer
Ik kan me voorstellen dat lezers van Breken is bouwen in tweestrijd zijn. Aan de ene kant is het onmogelijk om niet verheugd te zijn over Boomsma’s verbreding van voorgaand onderzoek, aan de andere kant was het werk overtuigender geweest wanneer hij veel minder hooi op zijn vork had genomen. Aangezien deze uitbreiding samengaat met een zekere haast en vluchtigheid, kan het met momenten eerder iets beledigends dan verrijkends hebben. In het interview in Awater doet Boomsma het klinken alsof hij een standaardwerk heeft willen schrijven: ‘Ik zou willen dat Breken is bouwen als Fundgrube gaat fungeren, dat het een schatkamer is voor wie een beter inzicht wil krijgen in het hoe en waarom van de Vijftigers. Dat wanneer een neerlandicus in spe ergens iets leest over een Vijftiger, als hij een citaat of een gedicht tegenkomt, voor de context mijn boek raadpleegt.’ Breken is bouwen is onmiskenbaar (omvang)rijk en er valt veel te vinden voor zoekende neerlandici nu en in de toekomst, van publicaties tot historische achtergronden, van beelden tot jaartallen, al helemaal wanneer de huidige registers en lijsten nog wat worden uitgebreid en verbeterd. Het ontbreekt de Fundgrube niet aan weelde, maar ook niet aan gebreken: de opgave die Boomsma zichzelf heeft gesteld blijkt niet van de poes, noch van de Leeuw.
‘Fuck it, we richten een eigen uitgeverij op’
Een rondetafelgesprek met Mieke ‘Mik’ Schelstraete, Sébastien Bovie en Dominique De Groen, door Hanna De Grave Loyson, Benjamin De Roover en Mathijs Tratsaert
Wie het Vlaamse literaire landschap goed in de gaten houdt, zag de voorbije jaren een opvallende bloei van nieuwe, kleine en onafhankelijke uitgeefprojecten. FRP nodigde de bezielers achter drie van die initiatieven - Zwarte Pagina, copyshop— en Marktcorruptie - uit voor een rondetafelgesprek. Waarom kiezen ze ervoor om zelf boeken uit te geven? Hoe verhouden ze zich tot de rest van het landschap en de literaire mainstream? En hoe kunnen dit soort initiatieven worden ondersteund zonder hun speelsheid en anarchie te verstikken?
Mathijs: Dankjewel Mik, Sébastien en Dominique om met ons aan tafel te willen schuiven. Kunnen jullie voor onze lezers kort schetsen wie jullie zijn en wat jullie precies doen?
Mik: Ik ben ongeveer een jaar geleden begonnen met Zwarte Pagina, samen met Leon Jesper. We zijn vooral gefocust op het uitbrengen van muziek en literaire boeken, maar de laatste tijd doen we ook zines en kunstboeken. Leon stapt er momenteel stilaan uit, dus het ligt nog open waar we nu naartoe gaan, maar we blijven wel werken op het kruispunt van kunst en literatuur.
Sébastien: Copyshop— is ontstaan op het einde van mijn master in de beeldende kunsten, drie jaar geleden. Ik ben toen geïnteresseerd geraakt in het boekmaakproces en heb daar mijn eigen schrijfpraktijk in geïntegreerd. Door zelf een boek te publiceren (Longing for Lo-fi, in 2023 verschenen bij de Nederlandse uitgeverij Onomatopee, red.) en als stagiair bij Borgerhoff & Lamberigts (Vlaamse uitgeverij, red.) te werken zag ik concreet hoe dat in zijn werk gaat, en begon ik me daar ook vragen bij te stellen. Copyshop— als structuur is ontstaan door samen te werken met Tseu Ying Tang. Ons initiële idee was dat we het boekmaakproces, van schrijver tot lezer, als een performatief gegeven wilden benaderen, waarbij het boek wordt geschreven, gemaakt en gelezen in dezelfde ruimte, zoals een performance. Nu, dat bleek niet echt haalbaar, en uiteindelijk zijn we in de positie van uitgever terechtgekomen. Dat is meteen een beladen term, waarvan we niet weten of we hem wel willen gebruiken. Tot dusver maken we onze boeken allemaal met de hand en nooit in oplages groter dan 50 exemplaren. Misschien ook belangrijk om te vermelden, is dat we net een jaar zijn gesubsidieerd door het Kunstendecreet (subsidieregeling van de Vlaamse overheid voor onder meer architectuur, podiumkunsten en beeldende kunst) en niet door Literatuur Vlaanderen, omdat wij ook Engelstalige en experimentele publicaties maken die niet per se literair zijn. Net als Mik zijn we meer beïnvloed door het idee van artist books, waarbij een boek meer is dan een drager of een object om geconsumeerd te worden.
Dominique: Ik heb Marktcorruptie opgericht in 2018, samen met Arno Van Vlierberghe. Ondertussen zit het al twee jaar in sluimerstand, maar binnenkort ga ik natuurlijk met jullie (met FRP, red.) samenwerken, dus dan komt er weer leven in de brouwerij. Marktcorruptie is eigenlijk ontstaan op het moment dat Arno en ik onze debuutbundels af hadden, maar allebei waren afgewezen door het balanseer. Dus we hadden iets van fuck it, we richten een eigen uitgeverij op. Het balanseer veranderde dan plots van gedacht, maar het leek ons sowieso wel nice om Marktcorruptie toch op te richten, ook al hadden onze eigen bundels al een plek gevonden. We hebben het ook nooit een uitgeverij genoemd, eerder een soort label, omdat de term ‘uitgeverij’ meteen heel beladen is en institutioneel klinkt. Ik ging in die tijd ook vaak naar zine-beurzen, waaronder de Zine Happening die georganiseerd werd door Les VoiZines. Dus het is door die wereld geïnspireerd, vanuit het idee dat niet achter alles een formele structuur moet zitten en je ook gewoon heel impulsief kan zijn. Snel iets vormgeven in InDesign, naar een copycenter kan stappen, afdrukken en zelf binden. Dat je niet afhankelijk bent van instituten of structuren om dat voor u te doen, en je moet zitten wachten op een ja of nee. Dat gegeven was heel belangrijk. Wat de uitgaven betreft, ligt de focus wel op het literaire, op tekst, maar het zijn wel vaak teksten die de grens opzoeken met andere media, bijvoorbeeld combinatievormen van tekst en beeld. Vaak dingen die niet direct een plek zouden vinden bij een reguliere uitgeverij, ofwel omdat het een nevenproject is, ofwel omdat het gemaakt is door iemand die beginnend is en nog geen toegangsticket heeft voor een debuutbundel. Marktcorruptie richt zich dus vooral op de marges en de scheuren in het veld.
Mathijs: Ja, er is weinig ondersteuning voor wat in die tussenruimten gebeurt, zowel als het gaat over intermedialiteit, als over auteurs die geen toegang hebben tot het reguliere uitgeverscircuit. Is dat iets wat jullie ook ervaren, Mik en Sébastien?
Mik: Wel, ik heb eigenlijk niet zoveel ervaring met het reguliere uitgeverslandschap, dus in die zin weet ik dat niet goed. Maar wat ik heel aangenaam vind aan onze positie, is dat je kunt beginnen met iets heel vaags en ongedefinieerd, en dan wel kunt zien waar het naartoe gaat. We moeten niemand overtuigen om dat boek uit te geven voor ons, want dan moet je eigenlijk al heel sterk staan en kunnen verantwoorden wat je precies wil doen en waarom. Wij hebben de ruimte om te zeggen: we zien het allemaal wel.
Sébastien: Wat ik vandaag vooral ervaar, is dat het auteurschap heel vaak wordt losgekoppeld van het boek. Ge gaat met uw manuscript naar een uitgever en als die zegt: ja, we doen het, dan stelt hij een vormgever en een drukker aan, en een jaar later sta je als auteur op je boeklaunch en pas dan zie je je boek. Ik denk dat het net nice is als auteur en uitgever dat hele proces samen doorlopen, als daar een soort kennisdeling in zit. Wij zitten samen met onze auteurs en vragen: Wat werkt voor u? Heb je een wacko idee? Een boek maken van schuurpapier? Dat kan, het gaat wel twee jaar duren om te maken. Maar dat gesprek aangaan over wat dat boek kan zijn, is een even grote bijdrage aan dat boek als het manuscript zelf.
Dominique: Ik denk inderdaad dat wat je beschrijft, dat losgekoppelde, bijna zorgt voor een vervreemding van het schrijfproces en het boek an sich. Dat is ook wel iets wat ik bij Marktcorruptie altijd heel leuk heb gevonden, dat er een intimiteit zit in het benaderen van het boek als object, het vormgeven daarvan en de mogelijkheden daarin. Je hebt verschillende papiersoorten waar je uit kunt kiezen en er zijn zoveel manieren om dat boek uiteindelijk te binden tot een geheel. De intimiteit van dat materiële vind ik iets heel mooi en ik denk dat het een verrijking zou zijn als dat ook breder verspreid raakt, want nu zijn het inderdaad twee bijna compleet verschillende werelden.
Mathijs: Een tendens die je ziet bij reguliere uitgeverijen is het besparen op papier, inkt, inbinding en afwerking om de kosten te drukken. Dat leidt soms tot pijnlijke situaties waarbij boeken na twee jaar letterlijk uiteenvallen, of het laagje plastic waar covers vaak mee zijn bedekt na een paar maanden begint te krullen of af te schilferen. Het gebeurt ook steeds vaker dat uitgeverijen hun boeken in Polen of China laten drukken en daarna terug invoeren. Hoe ziet het materiële productieproces voor jullie zines en boeken er precies uit?
Sébastien: Als je reguliere uitgeverij zegt, wat bedoel je dan?
Mathijs: De vage verzameling van uitgeverijen die werken met een modelcontract, een distributeur, met auteurs die besproken worden in kranten, die meedingen naar literaire prijzen. Ik heb geen sluitende, eenduidige definitie van de reguliere uitgeverij, maar als je goed wil kunnen nadenken over het veld is het wel nodig om daar een uniformiteit in te zien, denk ik.
Mik: Het productieproces verschilt heel erg van boek tot boek, net omdat elk boek dat we maken zo specifiek is. Het laatste boek dat ik met Zwarte Pagina heb gemaakt is iets van mezelf: Het is nacht, altijd. Ik heb dat wel laten drukken, maar dat was een bewuste keuze omdat ik voelde: ik heb niet de tijd om daarin te investeren. Bij andere boeken, bijvoorbeeld het boek van Anne Beumer (INVITATIE, red.), zijn we vrij lang bezig geweest met het vinden van een juiste vorm. Iets dat bij haar heel belangrijk was, was het juiste soort papier, omdat die een tentoonstelling had gedaan bij Lichtekooi, waarbij de werken een soort IKEA-handleiding waren van hoe de tentoonstelling tot stand was gekomen. De publicatie is daaruit gegroeid. Dus waren we lang op zoek naar het papier dat het meeste op een officiële IKEA-handleiding leek, de juiste grootte, dat hele proces. Maar het belangrijkste is dat niet ieder boek standaard wordt gebonden of naar de drukker gaat, dat je ruimte geeft aan de specificiteit van het boek dat je wil maken.
Sébastien: Wij zijn begonnen vanuit het idee dat we alles zelf willen maken, from start to finish. Ik weet niet hoe lang we dat kunnen aanhouden, zeker niet met het jaar dat we achter de rug hebben. Waar we nu vooral mee geconfronteerd worden is de lange duur van het maakproces. We werken nu aan een boek met Louis Hilson dat bestaat uit 32 katernen. Dat moet je dus allemaal vouwen, prikken, naaien. Dat duurt drie weken aan acht uur per dag. Ik denk dat Mik daar wel een punt in heeft: sommige boeken vragen inherent om zo’n soort productieproces. Toch weet ik niet of het echt eerlijk is om te bekritiseren dat sommige uitgevers hun drukwerk naar het buitenland sturen. Ik denk dat dat gewoon een onvermijdelijk gevolg is van de monopolisering van het Vlaams drukkerslandschap. We hebben eigenlijk nog maar een viertal echt gevestigde drukkerijen. Waarschijnlijk zijn dat er binnen tien jaar nog maar twee (na het gesprek meldde Sébastien ons dat één van de vier, de drukkerij van Die Keure in Brugge, is gestopt, red.) En als je daar als kleine uitgever naartoe stapt met de vraag om 100 exemplaren te drukken, dan is dat echt geen optie, omdat ze veel zaken maar aanbieden vanaf een bepaald afnamevolume. Ge gaat als reguliere uitgeverij nooit kijken om iets digitaal te printen, ge gaat meteen in offset (een druktechniek, red.) gaan. In Oost-Europa kan dat rendabel zijn vanaf 200 exemplaren, in Vlaanderen en Nederland pas vanaf 400 of 500 boeken. Als ge kijkt naar de eerste drukken van poëziebundels in Vlaanderen, dan ligt dat meestal niet op 500 exemplaren als ik het goed heb. Dus het is logisch dat ze niet hier drukken. Wat nice is aan wat wij doen, is dat we gewoon naar een copyshop kunnen lopen. Die disruptieve manieren van publishen zijn dus wel een enorme meerwaarde, ook als tegenbeweging voor die tendens.
Dominique: Ons productieproces is heel uiteenlopend geweest. Maar het idee vanaf het begin was wel om zoveel mogelijk zelf te doen. Ook omdat ik dat gewoon nice vind, het DIY-ethos, dat heeft iets heel punk, ge kunt het gewoon zelf doen en ge zijt van niemand afhankelijk. Ik herinner me zelfs dat in het begin, toen Arno ook nog betrokken was, we vaak ‘s nachts zijn binnengeslopen in zijn toenmalige werkplek om daar op de kopieermachine van alles af te drukken. Dat was denk ik het meest DIY dat we konden gaan, ergens papier gaan kopen dat we mooi vonden en het dan ‘s nachts in die printer steken en afdrukken. Ik heb ook veel laten drukken bij zo’n kleine copyshop, ik denk dat die nu niet meer bestaan, Basic Design heette dat, maar die waren wel echt heel goed. Zo heb ik het vaak gedaan, dat ik daar een grote doos ging halen vol losse, gedrukte papieren en dan zelf uren en dagen zat te vouwen. Want je moet elk blad dan ook afzonderlijk vouwen natuurlijk, en gaatjes prikken als je het wil binden met touw. Dat is een gigantisch arbeidsintensief proces. Ik herinner mij nog één boekje met vijf of zes katernen. Vrij dik papier, dus stug om te vouwen. Ik had een oplage van 50 en die maakte ik over de loop van twee jaar, hier twee boekjes, daar twee boekjes, daar nog eens tien boekjes. Ah, er komt een bestelling binnen, rap nog vijf boekjes maken. Soms liet ik het wel gewoon nieten bij drukker omdat het voor die uitgave minder belangrijk was. Maar ik vind kleine oplages op zich geen probleem, het heeft ook zijn voordelen. Ik blijf wel staan achter het idee van het handgemaakte en zo veel mogelijk zelf doen. Wat voor mij ook belangrijk is, is dat het democratisch blijft, dus als een boekje is uitverkocht dan zet ik het gratis online. Je kan er niet van onderuit dat een kleine oplage handgemaakte objecten iets exclusiefs heeft, maar die gratis digitale versies compenseren dat voor mij.
Sebastien: Ik denk inderdaad dat het DIY-aspect cruciaal is. Maar we moeten ook continu evalueren hoe haalbaar het is. Door te zien wat Dominique doet met het online zetten van uitverkochte boeken, zijn wij ook beginnen denken over een digitale bibliotheek met dezelfde opzet. Maar omdat wij ook actief zijn in de wereld van de kunstboeken, merken we hier wel een spanning. Hoe meer exemplaren je als kunstenaar maakt van een boek, hoe meer dat in strijd is met het unieke van het werk dat je maakt. Als je bijvoorbeeld vijf boeken maakt ter ondersteuning van een schilderijenreeks, dan gaat die boekenreeks veel meer als een object worden gezien, dan dat je er 50 maakt. Maar ja, met die DIY-cultus kan je veel meer aansluiten bij wat het boek nodig heeft. Drukkers zijn wel vaak echt in de war bij onze briefings.
Dominique: Ja, jullie doen vormelijk super experimentele dingen.
Sébastien: Ja, we zijn gisteren drukwerk gaan ophalen, een digitale printer in Kuurne die een HP Indigo Press heeft. Het was het binnenwerk van onze nieuwe publicatie E-girls. Dat is puur pornografisch binnenwerk, en het is al de derde keer dat ze het herdrukken. Dan staan daar twee vijftigers aan drukvellen van 50 op 70 met AI-beelden van naakte vrouwen te sleuren.
Dominique: Ja, het is altijd een ervaring. En dat is ook wel leuk aan dat DIY. Het hoeft niet altijd clean te zijn, je komt altijd problemen tegen of dingen die je moet uitzoeken. Dat maakt het voor mij ook zoveel avontuurlijker dan het reguliere uitgeefproces. Je moet continu nadenken: Wat betekent deze stap, wat wil ik echt? Waarom is dit belangrijk? Waarom wil ik dit zo doen en niet zo?
Sébastien: Waar ik me wel zorgen over maak is het afpellen of krullen van onze covers. Soms speculeer ik echt op de duurzaamheid van de drager, bijvoorbeeld door onze laat ons zeggen niet-orthodoxe manier van drukken. Zines die met RISO worden gemaakt en te lang in de zon liggen… Je weet wat daarmee gaat gebeuren. Dus je zou dat wel moeten communiceren: het is met de hand gemaakt, en daarom moet het niet meer kosten, maar ik vind wel dat er rekening moet gehouden worden met het feit dat het misschien minder duurzaam en kwetsbaarder is.
Mik: Dat is waarom ik mijn laatste boek heb laten printen, omdat dat een leesboek is. Het is de bedoeling dat ge dat leest en openkraakt. Als ik dat zelf lijm, dan komt er binnen de week een bladzijde los. Zo’n kunstboek is vaak geen object waar je zomaar ruw mee kan omspringen, dat vraagt een meer voorzichtige manier van behandelen.
Dominique: Ja, klopt. En draadjes kunnen loskomen als je het openplooit. Maar op de één of andere manier is dat inderdaad minder erg dan bij zo’n boek in massaproductie, omdat ge er inderdaad anders mee omgaat en andere verwachtingen hebt.
Hanna: Dat past misschien ook bij wat jij zei over het impulsieve karakter van het uitgeefproces: we geven het gewoon uit, we kunnen het zelf doen. Het feit dat het dan kwetsbaarder is, is misschien gewoon collateral damage?
Dominique: Ja, misschien wel. Dan is het misschien ook niet zo erg als het bijna iets efemeer wordt. Het is geen object dat is gemaakt om de eeuwigheid te doorstaan, net omdat het is ontstaan uit een impulsieve beslissing en de zin om iets te maken. Dat vind ik ook wel iets moois. Maar het mag ook geen fetisj worden, soms is het inderdaad beter om ervoor te kiezen om iets te laten drukken en binden, daar moet je ook pragmatisch in kunnen zijn.
Mathijs: Ik wil nog even terugkomen op het woord ‘uitgeverij’. Op de website van Marktcorruptie staat: ‘Marktcorruptie is een label, geen uitgeverij’ En Sébastien, op jouw website lees ik: ‘copyshop— is not a publishing house.’ Jullie kiezen dus allebei expliciet voor de negatie. Wat is het precies dat jullie niet willen zijn?
Sébastien: Voor mij is de term ‘uitgeverij’ gekaapt. Ik ben van mening dat het inherent verbonden is met het vermarkten van manuscripten, en daar sta ik niet achter. Uitgeven betekent voor mij: zorg dragen voor de auteurs. Met copyshop— willen we de principes van de galerijwerking hanteren voor boeken, dus vijftig procent voor de auteur, vijftig voor de uitgever. Daarnaast delen wij bijvoorbeeld ook de financiële details, zodat onze auteurs het uitgeefproces beter begrijpen en sterker staan bij toekomstige samenwerkingen met andere uitgeverijen. De taak van de uitgever is om de auteur te ondersteunen.
Dominique: Bij ons was dat niet heel erg onderbouwd, de stelling dat we geen uitgeverij zijn maar wel een label. Dat was iets gevoelsmatigs. Maar ik denk dat het gaat over hoe jij daarnet de reguliere uitgeverij definieerde, Mathijs. We wilden ons daarvan onderscheiden en het impulsieve, het spontane, het speelse vrijwaren. Nu weet ik niet of label dan een beter woord is, maar binnen de literaire wereld heeft het niet de connotaties die het woord uitgeverij heeft. Ik wilde zo vermijden dat het een instituut zou worden dat functioneert volgens een marktlogica. Het heet natuurlijk ook Marktcorruptie met een reden.
Mathijs: Hoe zou jij Zwarte Pagina omschrijven, Mik?
Mik: Wij zijn een collectieve uitgeverij. Ook een label, in de zin van muzieklabel, maar het is al even geleden dat we muziek hebben gepubliceerd. Wij kozen bewust voor het woord ‘uitgeverij’ zodat we in vraag kunnen stellen wat dat precies betekent. Voor ons gaat uitgeven over iets wereldkundig maken. Niet alleen boeken, maar ook cassettes, multiples, tentoonstellingen, concerten, die allemaal een betekenisvol geheel kunnen vormen met het boek. Het is niet dat ik voor vermarkting ben, maar ik snap dat het woord ‘uitgeverij’ daar voor jou wel voor staat, Sébastien. Ik heb er eigenlijk bewust voor gekozen om me niets aan te trekken van die connotaties en anderen geen monopolie te geven op het concept van uitgeven. Ik denk dat je perfect kunt zeggen: Oké, jullie zijn uitgevers, en ik ben ook een uitgever.
Dominique: Ja, en het is ook een simplificatie om te zeggen dat alle uitgevers zo zijn. Ik sta met één been in beide werelden omdat ik ook auteur ben bij het balanseer. Die sinistere logica waarin de auteur een pion is in een spel van vermarkting ervaar ik daar totaal niet. Het balanseer is natuurlijk ook heel klein, maar ik denk dat het wel vaak opgaat voor de kleinere uitgeverijen.
Benjamin: De schaal maakt die galerijmodus mogelijk waarover Sébastien het eerder had, en voorbij die schaal wordt het iets anders.
Sébastien: Wat ook meespeelt, is dat copyshop— zich onder meer richt op artist books en critical theory, waarmee je in een ander deel van het uitgeverslandschap terechtkomt, met uitgevers als Set Margins of Onomatopee. Zij hanteren een heel andere opvatting van uitgeverschap, en daar zit ook een heel andere productiemotor achter.
Mathijs: Wat bedoel je daar precies mee, een andere productiemotor?
Sébastien: Dat de auteurs of kunstenaars zelf financieel moeten bijspringen om hun boek gepubliceerd te krijgen. En als dat niet lukt, dan zeggen die uitgeverijen: er bestaan subsidies, dien een aanvraag in als je je fotoboek bij ons wil publiceren. Maar ook in dat geval krijg je als auteur weinig transparantie en beslissingsrecht, waardoor je in een zwakke positie terechtkomt. Als je niet weet hoe het winstpercentage wordt berekend, weet je eigenlijk ook niet of je wel eerlijk wordt behandeld.
Mathijs: Hoe kan het dat die uitgeverijen daarmee wegkomen?
Sébastien: Ze spelen de kaart van internationale ‘exposure’ en toegang tot het prestige van Engelstalige critical theory.
Mathijs: Ja, opvallend. In Vlaanderen zijn er best wel wat afspraken over best practices en heb je organisaties zoals de Vlaamse Auteursvereniging (VAV) en De Auteurs die bouwen aan het draagvlak daarvoor en auteurs juridisch bijstaan als hun uitgever bepaalde verplichtingen niet nakomt. Maar als ik het goed begrijp, bestaat er in ons taalgebied dus een soort schaduwveld dat zich op de Engelstalige markt richt en zich van die afspraken weinig aantrekt.
Sébastien: Dominique, als jij iets uitgeeft bij het balanseer, in hoeverre ben jij betrokken bij dat proces? Je levert het manuscript, en hoe up-to-date word je daarna gehouden?
Dominique: Als ik een manuscript aflever, dan doen we samen de redactie, vaak in verschillende rondes. Dat gaat echt over een hele dag samenzitten, door de tekst gaan en van alles eruit halen. Verder hangt een beetje af van de bundel. Mijn twee eerste bundels (Shop Girl en Sticky Drama, red.) zijn vormgegeven door Boris Van den Eynden. Ik kreeg van hem een voorstel voor de cover en had ook de vrijheid om te zeggen wat ik vond. Bij de twee daaropvolgende bundels (Offerlam en Slangen, red.) heb ik gevraagd of mijn broer het boek mocht vormgeven, en dat was geen probleem. Maar over het algemeen is er wel veel openheid. Ik denk ook dat dat vrij uitzonderlijk is, want ik heb al verhalen gehoord van mensen die een cover krijgen voorgeschoteld en het dan maar gewoon moeten aanvaarden zoals het is. Ze hebben eigenlijk niks in de pap te brokken. Dus dat hangt ook echt af van uitgever tot uitgever.
Sébastien: Weet jij bijvoorbeeld wat de productiekosten zijn van je boek?
Dominique: Er worden soms wel eens bedragen genoemd, maar ik onthoud dat eerlijk gezegd niet. Ik heb in ieder geval nog nooit een oplijsting gezien van alle kosten.
Mathijs: Copyshop— maakt wel een punt van volledige transparantie naar de auteur?
Sébastien: Ja, dat vind ik interessant. Als een auteur weet wat het kost om een boek te maken bij de ene uitgever, en die gaat dan naar een andere uitgever en ziet daar plots veel hogere kosten, dan weet je dat er iets niet klopt. We zeggen ook tegen iedereen: Als je ooit een vraag hebt over een offerte, kom langs. Met die transparantie versterk je het volledige landschap.
Mik: Als het gaat over het meenemen van de auteur in het proces, denk ik wel dat je niet in de val mag trappen van: het beste boek is het boek dat helemaal door de auteur zelf wordt geactualiseerd. Ik zie een boek sowieso als een samenwerking van allerlei mensen. En het kan zijn dat je idee wordt gewijzigd door iemand anders, dat is daarom niet noodzakelijk slecht. Dat is alleen maar een probleem als dat een uitgever is die zegt: ‘Ah, als deze cover rood is dan gaat het meer verkopen, dus de cover is rood.’ Maar als je samenwerkt met een vormgever die intelligent is en de goodwill heeft om gevoel te ontwikkelen voor je werk, dan kan die soms interessantere dingen aanbrengen dan wat je als auteur zelf ziet voor je manuscript.
Mathijs: Vandaar het woord ‘uitgeefcollectief’.
Mik: Ja, uitgeven doe je sowieso met meerdere mensen. Een vormgever die ingrijpt in het idee van wat een boek precies is, kan net heel interessant zijn. Tegelijk zie je dat dit soort overtuigingen in het soort contexten waarin wij werken ook compleet geperverteerd kunnen worden. Als Sébastien naar mij komt en zegt: We zitten hier met een uitgave en het lukt niet meer, kunt ge mij helpen? Dan zal ik dat doen. Maar het is soms moeilijk te bepalen wanneer vrijwillig werk een structurele manier wordt om kosten te besparen.
Sébastien: Ja, daarom had ik het daarnet ook over transparante financiën. Als dat duidelijk is, dan is het ook duidelijk wat je precies geeft als je onbetaald werk doet. Maar bij mij mag iedereen langskomen om te printen, vragen te stellen of dingen aan mij uit te leggen. Ik vind het gek dat sommige mensen denken: kennis is waardevol, we gaan dat gatekeepen. Tijd en hulp zijn ook waardevol.
Hanna: Sébastien, jij stuurde ons enkele maanden geleden een tekst waarin je je frustratie uit dat kleine uitgeverijen, of kleine vzw’s, elkaar voor dat soort van vriendschappelijke uitwisseling en kennisdeling te weinig vinden.
Sébastien: Klopt. Allez, dat vind ik toch.
Hanna: Ik vroeg mij daarbij af: hoe ziet een gezond ecosysteem van zo’n organisaties er voor jou dan uit, waarin er samenwerkingsverbanden kunnen ontstaan? Is dat dan enkel organisch uw vrienden helpen, of hoe vinden die elkaar idealiter? En dat is natuurlijk een vraag voor iedereen.
Sébastien: Op artbook fairs is er altijd vriendelijkheid, maar niet per se vriendschappelijkheid. Iedereen is daar met een doel: boeken verkopen, netwerken. Dus ik mis wel iets. Ik vind het bijvoorbeeld zelf moeilijk om andere kleinschalige uitgeverijen te vinden in Vlaanderen. Soms lukt dat via Instagram, maar dan moet ik wachten totdat het algoritme doorheeft dat ik op zoek ben naar andere uitgeverijen. Dat is iets dat me frustreert, dat er geen kaart bestaat waarop je kan zien wat er allemaal is.
Mik: Ja, dat gaat via via, soms ben je op een boekvoorstelling en zijn daar mensen die vertellen dat ze net een uitgeverij zijn gestart. Ik vind het wel leuk dat dat kan gebeuren via zo’n authentiek sociaal weefsel.
Sebastien: Maar je zou elkaar toch ook op een andere manier moeten kunnen vinden? Voor mij is dat belangrijk: ik wil kunnen leren. Hoe doen anderen het, hoe kunnen we elkaar versterken?
Dominique: Dat informele sociale weefsel ervaar ik ook op zine-beurzen. De hoedanigheid waarin mensen daar staan is zo uiteenlopend, dat gaat van VZW’s waar tien mensen werken tot iemand die daar staat met iets dat ze last minute in een copycenter heeft geprint. Ik vind dat mooi, dat landschap is zo divers en de vormen daarin zo efemeer dat het ook moeilijk in kaart te brengen is. Het is fijn dat sommige dingen alleen maar via informele of ondergrondse netwerken en toevallige ontmoetingen te vinden zijn. Tegelijk snap ik ook wel wat je zegt, Sébastien, het zou het landschap versterken als je elkaar weet te vinden om aan informatie-uitwisseling te doen. Maar ik denk wel dat dat ook kan binnen die toevallige contacten, door met die mensen vriendschappen te sluiten, eens iets te gaan drinken en dan overleggen of tips uitwisselen.
Sébastien: Als je evenementen aanhaalt, wat voor evenementen bedoel je dan? Kleine fairs of een book launch?
Dominique: Ja, dat soort zaken.
Sébastien: Maar verdwijnen die niet? En de fairs die er nog zijn, zitten achter alsmaar hogere drempels en selectieprocedures.
Dominique: Hm ja, dat is ook waar. Dat is een probleem. Enerzijds vind ik dat jammer, want er zouden meer van dat soort evenementen moeten zijn. Maar anderzijds, als ik nog maar denk aan het idee dat zelf te organiseren, krijg ik een halve paniekaanval (gelach). Dus ja, wat je zegt klopt, maar wie moet het dan wel doen, bovenop al het andere werk? Maar ik weet niet of je de noden die erachter zitten kunt beantwoorden met een kaart met datapunten.
Sébastien: Ja, het was een vraag.
Dominique: Het zou wel een grote meerwaarde zijn als er meer fysieke evenementen zijn waar de mensen elkaars werk kunnen zien en met elkaar kunnen praten en ideeën uitwisselen. Daar geloof ik echt in. En dan heb je misschien een goede combinatie tussen enerzijds nog die toevalligheid en dat informele dat daarin zit en anderzijds ook wel een soort platform waar je in contact kunt komen met anderen.
Sébastien: We hebben gewoon een alternatieve boekenbeurs nodig.
Dominique: Eigenlijk wel.
Mathijs: Ik houd een lijstje bij van nieuwe en kleine Vlaamse uitgeefinitiatieven. De voorbije jaren zijn er heel wat bij gekomen. Naast Marktcorruptie, Zwarte Pagina en copyshop— zijn er ook Cosimo, Uitgeverij Archipel, Letterwerk, Flaneur Uitgevers, Krummholz, Uitgeverij Weerwoord en Lozana Books. Die initiatieven botsen ongetwijfeld op gelijkaardige problemen en zouden er wellicht bij gebaat zijn als ze kennis kunnen uitwisselen met elkaar. Zou het geen idee zijn om een ‘Unie van Kleine Vlaamse Uitgeverijen’ op te richten, die dat soort taken op zich neemt? Uitwisselingen accommoderen, het veld in kaart brengen, belangen verdedigen en beurzen en andere evenementen organiseren?
Sébastien: Ik denk dat wel ja. Zoiets moet worden gedragen door een organisatie en niet door een individu of een uitgever.
Mik: Ik kan me inderdaad voorstellen dat zoiets voor Sébastien, of uitgevers zoals Sébastien, heel handig is. Maar de manier waarop wij uitgeven is zodanig ongestructureerd en bric-à-brac, dat wij daar niet zoveel baat bij hebben, denk ik. Dat ongestructureerde is ook net wat het leuk maakt. Maar ik zie wel hoe zoiets voor anderen waardevol kan zijn.
Dominique: Ik vind het wel interessant, maar het is een soort werk dat mij totaal niet aantrekt en waar ik ook niet goed in ben. Dus opnieuw moet ik dan zeggen: ja, dat zou nice zijn, als iemand anders het doet. Wat je zegt over bric-à-brac, dat zit ook in Marktcorruptie. Er moet wel een manier zijn om enerzijds de anarchie en speelsheid te bewaren en tegelijk binnen een grotere structuur te functioneren. Dat is interessant om over na te denken, hoe je dat doet zonder dat je de improvisatie en het speelse element dood maakt. Dat is sowieso een angst van mij, deel uitmaken van een grotere structuur en je dan plots moeten voegen naar procedures of vereisten die worden opgelegd. De hele reden waarom ik Marktcorruptie doe, is omdat het leuk is, en die vreugde wil ik daar niet laten uitzuigen. Maar ik zeg niet dat dat onmogelijk is, alleen moet het dan los genoeg zijn, denk ik, het moet genoeg vrijheid bieden.
Hanna: Dus wel gestructureerd, maar niet volledig geformaliseerd?
Dominique: Ja, precies, dat is heel belangrijk om over te waken. Kleine uitgeverijen zijn idiosyncratisch, omdat ze ook ontstaan vanuit een verlangen om het anders te doen en moeten kunnen blijven bestaan in al hun weirdness en eigenheid, hun bric-à-brac-heid. Dus hoe bewaar je dat als je ze toch laat aansluiten bij een grotere structuur?
Sébastien: Ik sluit me aan bij die twijfels. Ik denk dat er in onze initiatieven, en ook bij andere kleinere publishers, iets disruptiefs en ondermijnend zit dat bewonderenswaardig is. Dan lijkt een organisatie die gemeenschappelijke evenementen organiseert me interessanter dan een instantie die zich opwerpt als belangenverdediger, omdat het onvermijdelijk standaarden gaat opleggen over uitgeverschap en de betekenis van disruptief uitgeven.
Mathijs: Maar het zou er ook voor kunnen zorgen dat de disruptie beter mogelijk wordt gemaakt. Als je bij Literatuur Vlaanderen aanklopt en kan zeggen: ‘Wij vertegenwoordigen tien kleine Vlaamse uitgeverijen en er is nood aan budget voor hybride publicaties’, dan beweegt er misschien wel wat. Terwijl de subsidiestructuur nu een rigide splitsing van disciplines volgt, met Literatuur Vlaanderen voor literair werk en Kunstendecreet voor beeldend of audiovisueel werk.
Dominique: Ja, zeker. Maar er moet goed over worden nagedacht, want je wilt inderdaad vermijden dat zo’n structuur dwingend wordt.
Sébastien: Als het gaat over subsidies, denk ik dat de huidige tweedeling tussen literatuur en beeldende kunst zelfs interessanter is voor sommige uitgeverijen. Wij hebben nu ingestuurd bij Kunstendecreet om een kunstenaarsboek te maken. Als wij dat volgend jaar nog eens doen, moeten we al hard beginnen te staven waarom we dat opnieuw willen. Terwijl ik wel gewoon kan aankloppen bij Literatuur Vlaanderen. Die zien waarschijnlijk ook wel dat ik projectsubsidies had bij het Kunstendecreet, maar die denken: Oh, er is een shift naar literatuur, weet ge wat, hier een klein stukje van de grote pot, maak uw publicatie. Als er maar één pot is, dan valt dat meer op. Dat zet weer zo’n schijnwerper op het disruptief of speels uitgeven, of hoe je dat ook wilt noemen.
Hanna: Misschien is juist de zoektocht naar dit soort sluiproutes ook onderdeel van dat disruptief of speels uitgeven? Jullie zeggen eigenlijk allemaal dat jullie wel van die stroefheid houden, zonder het te willen romantiseren.
Sébastien: Ja, misschien wel. Wij willen onze subsidiedossiers trouwens graag delen met andere kleine uitgevers, wat ook op zo’n beurs kan. Wat is het taalgebruik in die dossiers, bijvoorbeeld? Dat lijkt me interessanter dan een strijd te voeren voor een bepaald beleid.
Mik: Ja, dat zou bijvoorbeeld kunnen via een gedeelde Google Drive. Ik moet nu denken aan aaaarg (archiefwebsite met tienduizenden downloadbare boeken, red.) dat intussen niet meer bestaat, en waar je enkel toegang tot kreeg als iemand die al toegang had je mailadres toevoegde. Kijk, dat vind ik charmant. En dan kun je ook veel meer delen omdat dat net iets onder de radar is.
Dominique: Dat vind ik wel een goed idee, want dan heb je inderdaad niet de illusie dat alles in kaart kan worden gebracht. Iemand weet dat je ook met uitgeven bezig bent en voegt u toe aan die Drive.
Sébastien: Een soort web 1.0 forum.
Dominique: Eigenlijk wel een beetje, ja.
Mathijs: We hadden het nog niet echt over het intermediale karakter van wat jullie doen. Zwarte Pagina publiceert zowel beeldend werk, muziek als literatuur. Marktcorruptie zoekt diezelfde ruimtes op, zeker met de recente Middernachtmelktapes. Copyshop— zit dan weer op de intersectie van kunstenaarsboeken, literatuur en critical theory.
Sébastien: We zijn nu ook bezig met het curatoriële en scenografische aspect van een book launch. Dat vinden we wel echt wijs. Ik ga graag naar book launches van Paard van Troje, bijvoorbeeld, maar ik denk dat er daarnaast ook andere manieren zijn om een boek in de wereld te brengen. Het boek dat in de wereld komt als een evenement.
Hanna: Zoals jullie book launch in de sauna, voor de publicatie Life could be very long van Valentina Marchetti en Jacob Lambrecht?
Sébastien: Ja, bijvoorbeeld, of een picknick, of een launch in de kelders van de UGent voor een recente publicatie van Dominique.
Dominique: Ja, dat was eerie, maar ik vond het echt nice. We hadden van alle computers in die ruimte de achtergrond veranderd naar een roze versie van de Windows XP background. Heel vaporwave en nostalgisch.
Sébastien: Ja, een spook van nostalgie, dat is wel wijs om mee bezig te zijn.
Mathijs: Zijn jullie drie de enigen die dat doen in Vlaanderen, intermediaal werk uitgeven en die intermedialiteit laten doorwerken in de presentatie?
Hanna: In Brussel zijn er alvast zeker nog een paar collectieven en mensen die interdisciplinair uitgeven, zoals Ramsdam Books en bog bodies press.
Sébastien: Je hebt ook Hello Walkscapes, From Me to You en SO-RI, die sterk inzetten op intermediale publicaties.
Mik: In Brussel is er ook VROOM, waar er veel dingen worden georganiseerd rond experimentele comics, vaak samengaand met een tentoonstelling of een performance. Zij zetten daar heel hard op in.
Mathijs: Maar waarschijnlijk niet vaak in het Nederlands, zoals jullie wel doen?
Sébastien: Nee, dat zijn boeken die op internationale Art Book Fairs liggen. Je kunt met een Nederlandstalig boek niet in Wenen staan. Allez, het kan, maar je ziet toch dat Nederlandstalige makers hun werk in een Engelstalige vorm gieten omdat ze het hier niet kwijt kunnen.
Mik: Dat weet ik eigenlijk niet, daar ben ik niet zo goed van op de hoogte. Maar ik denk wel dat individuele kunstenaars dat quasi altijd doen, hun boek lanceren met een evenement en transmediaal werken.
Sébastien: Wat betekent transmediaal dan voor jou? Ondersteunt het boek dan de tentoonstelling of is het boek een catalogue raisonné bij de tentoonstelling?
Mik: Ja, dat is een goeie vraag. Het moet niet het een of het andere zijn, denk ik. Voor Tegenlezen, een tentoonstelling die we vorig jaar deden met Zwarte Pagina, hebben we een catalogus gemaakt uit alleen maar scans. Normaal gezien wil je in een catalogus alles zo goed mogelijk tonen met mooie foto’s, maar wij hebben ons gehouden aan het A4-formaat van onze scanner. Dus als er grotere boeken waren, zie je enkel de bovenkant. Je kan je dus afvragen wat de verhouding is tussen het boek en de expo: is het boek een catalogus die de tentoonstelling ondersteunt? Of is de expo een uitplooiing van het boek? Die verhouding is bij wat wij doen steeds anders en niet altijd makkelijk te bepalen.
Hanna: Ik ben ook benieuwd naar jullie concrete inspiratiebronnen hierin. Tot wat verhouden Marktcorruptie, Zwarte Pagina en copyshop— zich? Misschien is dat heel intuïtief en vanuit vibes? Of zijn er voor jullie voorbeelden in de Nederlandstalige of Engelstalige context? En hebben jullie een voorkeur in deze contexten?
Dominique: Ja, die voorbeelden zijn er zeker. Oorspronkelijk is Marktcorruptie echt wel geïnspireerd door de zine-cultuur. Dat was voor ons een direct voorbeeld en dan zit je meteen in een vrij internationale cultuur, omdat die mensen uit allerlei landen komen en naar verschillende beurzen in Europa gaan. Marktcorruptie publiceert ongeveer 50% Nederlandstalig en 50% Engelstalig, en dat zit daarachter. Als ik op zo’n beurs sta wil ik wel dat er altijd enkele Engelstalige publicaties op die tafel liggen zodat mensen die geen Nederlands lezen ook iets interessants kunnen vinden. Dat speelde daar dus zeker in mee.
Mathijs: Ik herinner me dat je Tieten met Haar ook eens noemde als één van de inspiratiebronnen?
Dominique: Ja, ik kende die werking niet zo goed, maar op het moment dat Marktcorruptie ontstond, was dat het voornaamste uitgeefcollectief waar ik van op de hoogte was. Ik weet niet of die nu nog actief zijn. Maar dat is vooral beeldend: comics, illustratie, grafiek. En dat trok mij sowieso aan. Ik was op het moment dat Marktcorruptie begon ook zelf nog mediakunst aan het studeren aan KASK, dus voor mij voelde het logisch om Marktcorruptie direct multimediaal te maken. Het voelde artificieel om te zeggen: ah ja, dit is dan mijn beeldende praktijk en dit is dan mijn literaire praktijk. Marktcorruptie is vanaf het begin een mix geweest en omdat het ook zo stond aangekondigd op onze website, hebben we ook snel auteurs aangetrokken die bijvoorbeeld wilden samenwerken met een illustrator. Maar het mag geen idee fixe zijn, ‘alles moet transmediaal’ of ‘alles moet ook beeld bevatten’, want soms heeft dat geen meerwaarde en is het louter illustratief.
Mik: Bij mij was de aanleiding om met Zwarte Pagina te beginnen heel concreet. Op een bepaald moment kwam ik in contact met Maya Strobbe van Ramsdam, die vertelde dat zij daarmee was begonnen tijdens haar studies. En dan dacht ik: ah, ik kan dus ook uitgeven? Want daarvoor had ik het idee dat een uitgever zijn betekent dat je veel geld hebt, je een contract sluit met een drukker, een snijmachine nodig hebt, professioneel moet zijn etc. Door met Maya te praten besefte ik: eigenlijk moet dat niet. Als je zegt ‘ik ben uitgever’, dan ben je dat gewoon. Je moet er natuurlijk gevolg aan geven, maar het is geen legaal beschermd statuut. Dat was een heel belangrijk moment voor mij. Wat ik daarvoor deed was self-publishing, maar ik had er nog niet over nagedacht dat ik dat ook zou kunnen doen met of voor andere mensen.
Sébastien: Ik sluit mij daar bij aan. Ook tijdens het studeren, grafische vormgeving, ben je vaak al bezig met boekpublicaties maken. Dat is wat ze graag zien op KASK. En ge zijt bezig met dat object en ge stelt dat object en het ontwerpproces in vraag, ge maakt readers over wat boeken kunnen zijn, over artist books in de jaren ‘60 en ‘70. Ik denk bijvoorbeeld aan het werk van Lucy Lippard. Er was ook een opdracht over Ulises Carrión, een kunstenaar die veel bezig was met wat een boek of artist book kan zijn, en die teksten waren wauw (lees bijvoorbeeld The New Art of Making Books, red.). Dus ik was op die manier al boeken aan het maken voor mezelf, en op een bepaald moment kwam er iemand die vroeg: kan je mij niet helpen met een boek maken?
Mik: Ik herinner me nog jouw masterproef toen jij afstudeerde, Sébastien. Jij had allemaal sokkels gemaakt waarop boeken stonden met een spotlight erop. Dat vond ik heel cool. Ik zat toen in mijn bachelor en was ook al bezig met schrijven, maar uitgeven voelde als iets onbereikbaar. Toen zag ik dat jij al die boeken gewoon zelf had gemaakt en ik dacht: tja, eigenlijk.
Hanna: Toen Mathijs het daarnet had over de definitie van de reguliere uitgeverij, dan was een deel daarvan de boeken die in kranten worden besproken en circuleren in een bredere discussie. Heeft die onbereikbaarheid daar niet mee te maken, met de ontoegankelijkheid van dat circuit? Is het een wens van jullie om daar deel van uit te maken?
Mik: Ik zou het sowieso wel cool vinden als er recensies zouden komen van kleine uitgaven. Maar dat hoeft misschien niet in De Standaard.
Dominique: Misschien beter niet zelfs, ik weet het niet.
Hanna: Waarom beter niet?
Dominique: Voor mij voelt het als iets dat heel makkelijk verkeerd begrepen kan worden. Dat is nu mijn intuïtie, maar ja, misschien wel, ik weet het niet.
Mik: De klassieke krantenrecensie met sterren en een uitspraak over goed of slecht, dat is niet echt relevant, denk ik. Je kunt perfect een boek bespreken zonder daar sterren aan te moeten geven.
Dominique: Ja, zo’n recensie is eigenlijk koopadvies.
Sébastien: Ik denk dan eerder aan teksten die kunstcritici schreven bij tentoonstellingen in de jaren zeventig of tachtig, zoals het werk van de mensen rond het Amerikaanse journal OCTOBER. Zij bekritiseerden niet alleen de tentoonstelling an sich maar zagen het ook in een bredere context. Zoals je je kunt afvragen: waarom is die tentoonstelling daar nu? Kun je ook vragen: waarom is dit boek nu gemaakt? Dat is interessanter dan de vraag of het nu een goed of slecht boek is.
Dominique: Ja, ik denk dan aan een platform als De Reactor, waar boeken diepgaander geanalyseerd worden. Daar zie ik wel een plaats voor recensies van wat wij maken.
Sébastien: Ik denk dat dat goed zou zijn. Ook als motivator voor auteurs om sneller hun ding in te sturen naar een kleine uitgeverij, in plaats van te zitten wachten tot De Bezige Bij antwoordt.
Hanna: Ja, omdat je dan ook weet dat het boek niet gaat sterven na die 50 exemplaren, dat het ergens circuleert, deelneemt aan een breder gesprek.
Benjamin: Maar eigenlijk is het wel de taak van de Vlaamse kranten en media om in te zien dat kleine uitgeverijen heel belangrijk zijn voor Vlaanderen. Want wat je nu hebt, is dat Vlaamse kranten hun katernen vullen met de overproductie van de Amsterdamse uitgeverijen, met recensies die niet per se van belang zijn voor een Vlaamse lezer. Of ja, zij maken het dan van belang door er aandacht aan te besteden. Maar eigenlijk zouden ze zich moeten afvragen: wat gebeurt er hier, en hoe kunnen wij daar aandacht voor genereren? Dat lijkt mij logisch, maar het is helemaal niet hoe het nu gaat, denk ik. Een cultuurjournalist is iemand die een boek ontvangt op het redactiekantoor en niet iemand die op zoek gaat naar wat er buiten allemaal gebeurt.
Sébastien: Nee, die komt niet op onze book launches terecht.
Dominique: Nee, hoe zou die daar geraken?
Benjamin: Je zou die kunnen uitnodigen, maar gaat die dan komen? Ik weet het niet.
Dominique: Maar dan is de vraag ook weer: wil je dat, of moet je dat willen? Meer aandacht is ook niet altijd beter, denk ik. Ik heb geen zin om iemand van De Standaard uit te nodigen voor een evenement van Marktcorruptie. Ik kan dat niet 100% staven met argumenten, maar dat voelt als een andere wereld met andere wetten en begrippen. En ergens voelt wat wij doen ook als iets dat kwetsbaar is en beschermd moet worden. Niet dat het daarom allemaal geheim en verborgen moet zijn, maar soms zijn dingen gewoon niet compatibel.
Sébastien: Het is misschien wat overdreven, maar voor mij zijn de media het oog van Sauron (gelach). Als dat oog op u is gericht, kunt ge u gewoon niet meer bewegen.
Benjamin: Voor je het weet zit je in de slimste mens.
Sébastien: Ja, het is echt niet per se een cadeau. Copyshop— viel dit jaar onder een subsidiewerking. Wanneer Jan Modaal, die niet goed weet wat wij precies doen, mij vraagt: ‘Waarom heb jij mijn belastingsgeld gekregen?’, dan weet ik niet hoe ik dat moet uitleggen. Niet omdat we die subsidie niet verdienen, maar omdat het antwoord op die vraag een enorme kennis veronderstelt van de context waarin wij werken. De aandacht van zo’n spotlight maakt het volgens mij moeilijker voor kleine uitgeverijen om zich vrij te bewegen in die marge, omdat ze het gevoel krijgen: ah ja, nu moeten we het waarmaken, nu staan we op het toneel. Daarom is het zo belangrijk om critici en actoren te vinden die zich zelf in die marges begeven, en die onze context begrijpen.
Benjamin: Wat wij nu aan het doen zijn eigenlijk.
Dominique: Ja, voilà. Wat ik bij het balanseer publiceer wordt soms gerecenseerd in een grote krant, of ik krijg een interview in De Standaard, en net door die ervaring voel ik des te meer dat wat ik doe met Marktcorruptie daar geen deel van mag worden. Maar dat is ook iets reflexmatigs, hoor. Want natuurlijk is het ook leuk als meer mensen uw werk lezen en het kennen. Maar als maker is dat niet altijd super aangenaam om met uw kop in de krant te staan. Je krijgt dan plots commentaren van mensen die u helemaal niet kennen. En als iets wat je maakt in een ecosysteem zit dat een fragiliteit heeft, ja, dat moet je niet blind streven naar meer exposure, want het principe ‘be careful what you wish for’ geldt daarbij, denk ik. Dan is iets als dit veel waardevoller. Dit is een gesprek en niet een journalist die content zoekt om zijn kolommen te vullen. Die interactie en openheid ga je minder vinden bij die grotere media.
Sébastien: (richt zich tot Hanna, Mathijs en Benjamin) Hebben jullie ooit al overwogen om... Jullie zijn nu een jaar bezig, hè?
Hanna: Twee jaar.
Sébastien: Overwogen om, ik zeg maar, binnen vier jaar in druk te gaan?
Mathijs: We willen primair online blijven publiceren, maar vanuit een inclusiviteitsgedachte overwegen we wel om een eenvoudige papieren versie aan te bieden. We vergeten het soms, maar niet iedereen heeft een computer of internet. Dat is bijvoorbeeld het geval voor Lucienne Stassaert, die we twee jaar geleden interviewden, of Frederik Deflo van boekhandel Het Ivoren Aapje, met wie we vorig jaar spraken. We maken ons ook zorgen over het conserveren van onze publicaties. Substack is gebouwd op het verspreiden van nieuwe teksten, niet op het conserveren van oud materiaal, dus we willen graag een website opzetten met doorzoekbaar archief. Het lijkt me ook mooi als we elk jaar de nummers van FRP kunnen binden en in boekvorm publiceren. Zo creëer je de mogelijkheid dat iemand ons binnen vijftig jaar in een tweedehands boekenwinkel ontdekt en denkt ‘huh, wat is dit?’ en daar weer iets nieuws uit kan groeien. Dat is voor een stuk de genese van FRP: ik die in de Oxfam Bookshop in Antwerpen een paar Heibels vind uit de jaren zeventig en tachtig en daar allerlei ideeën door krijg.
Sébastien: e-Flux Journal doet iets vergelijkbaars, zij publiceren indexes. Ze hebben er nu al zeven gedaan. En dat zijn kastaars, met artikels van hun website die ze per thema bundelen in één boek. Dat kan wel waardevol zijn.
Dominique: Ja, dat lijkt mij ook interessant.
Sébastien: Als je het slim aanpakt, hoeft dat ook niet duur te zijn.
Hanna: En daarin zouden we eigenlijk ook de evenementen die we doen, zoals de filmscreenings, literaire avonden en panelgesprekken, kunnen betrekken via teksten die daarvoor relevant waren. Dat allemaal samenvoegen, in een soort reader.
Mathijs: Ja, mee eens. Dat doet me eraan denken: we hadden het nog niet over auteursrecht. De publicaties van Marktcorruptie, die zijn bijna allemaal uitgegeven onder een bepaalde licentie?
Dominique: Ja, inderdaad, of zeker in het begin. Dat was Creative Commons Attribution, denk ik. Op een bepaald moment heb ik dat dan niet meer gedaan omdat ik onder andere een zine heb uitgegeven over Britney Spears, en dan was ik niet meer zeker hoe dat moest, gedichten van haar publiceren, dat werd plots heel murky. Maar wat ik wel interessant vind aan dat self-publishen is dat daar ook mogelijkheden liggen om op een andere manier om te gaan met copyright. Intellectueel eigendom wordt vaak gebruikt om dingen dicht te timmeren en informatie af te schermen, privaat te maken. Ik ben ook gewoon opgegroeid met The Pirate Bay en al die dingen, ik vind dat belangrijk, vrije uitwisseling van informatie en daar indien nodig ook sluipwegen in zoeken, u niet laten tegenhouden door de muren die daar omheen gebouwd worden. Omdat ik wel geloof dat informatie en kunst en literatuur van iedereen moeten zijn om van te genieten.
Ik vraag me dan ook af in welke mate dat compatibel is met het feit dat makers ook geld moeten verdienen, of in elk geval op de een of andere manier moeten kunnen leven. Ik ben benieuwd wat jullie daarover denken. Ik vind dat alles wat ik uitgeef met Marktcorruptie vrij beschikbaar moet zijn, dus ik zet de pdf’s gratis online. Ik wil niet per se dat dat beschermd is onder copyright. Hoewel ik weet dat dat ook een systeem is dat voor een stuk bedoeld is om mij als maker te beschermen, maar tegelijk is het in de eerste plaats ontworpen om de belangen van bedrijven en grotere uitgeefconcerns te beschermen.
Mathijs: Maar laat je de auteur dan mee beslissen? Want het heeft wel gevolgen voor de auteur.
Dominique: Het heeft wel gevolgen voor de auteur. Dat is iets wat enkel in overleg kan gebeuren natuurlijk. Ik heb het gedaan met de dingen die ik zelf heb geschreven en in bepaalde gevallen ook met werk van auteurs, omdat zij dat prima vonden. Het is iets waar ik nog over aan het nadenken ben: op welke manier kan self-publishen een alternatieve manier bieden om met copyright om te gaan.
Sébastien: Elk boek heeft zijn eigen maakformule. Wij brengen binnenkort een boek uit van Louis Hilson, Zombies in Paris, en hij heeft zoiets van: ‘Ge moogt het allemaal hebben. Ik ga blij zijn als er iemand dat helemaal roofdrukt.’ Het is wel onmogelijk om te roofdrukken, hij heeft het zodanig complex gemaakt. Dus dan zetten wij in het colofon: als je wil, kopieer het boek. Gebruik het op uw manier. Andere auteurs willen hun tekst beschermen. Dan staat er: eerst moet de uitgever gecontacteerd worden, dan kan u contact opnemen met de auteur, enzovoort. Het juridisch beschermen van de auteur is een belangrijke rol van de uitgever, als dat gewenst is.
Eerst hadden we een vertrouwensprincipe waar we zeiden van: kijk, je krijgt zoals de galeriewerking 50/50 het moment nadat wij onze kosten hebben gerecupereerd. Nu hebben we vorige week pas beslist, dus we staan nog in onze kinderschoenen, dat we dat niet meer gaan doen. We gaan integraal zeggen: kijk, de auteur stapt niet mee in de kosten van het boekmaken. We zijn wel transparant over de kosten van het boek. En dan gaan we in gesprek met de auteur over de prijs van het boek, want dat heeft consequenties. De auteur weet: uiteindelijk was het €9 per boek om te maken, we verkopen het voor dubbel zoveel. Dan berekenen we die formule van kostenrecuperatie en dan 50/50 nog voordat het boek uitkomt, om de auteur op dat moment integraal via auteursrecht een forfaitair bedrag over te schrijven. Dus de auteur krijgt nog voordat het boek uitkomt integraal dat bedrag van wat hij uiteindelijk zou hebben als alle exemplaren verkocht zijn. Vanuit het perspectief dat het boek er nooit was zonder de auteur, wat ik eerder al aanhaalde. En een soort financieel zorgprincipe dat we hebben als uitgeverij naar de auteur, zeker als beginnende auteur in een precaire situatie.
Mathijs: Dus geen voorschot of royalties, maar wel een projectie van de helft van de winst uit volledige verkoop?
Sébastien: Ja. Dat vinden we ook echt belangrijk. Plus, vanuit een administratief perspectief is het veel makkelijker, zowel voor ons als voor de auteur. En het legt de verantwoordelijkheid om inspanningen te doen voor het boek ook bij de uitgeverij, en niet bij de auteur, die bij sommige uitgevers de straat op wordt gestuurd om zijn boek aan de man te krijgen.
Dominique: Maar dat gaat toch enkel als je dan subsidie hebt, denk ik. Want je moet het geld op voorhand kunnen geven aan je auteur.
Sébastien: Ja, dat dachten wij ook. Maar wij publiceren altijd 50 exemplaren, dus die bedragen zijn nooit gigantisch. Stel dat de productiekost voor 50 boeken €1000 is, dus €20 per boek, en we komen met de auteur overeen dat we het verkopen aan €30. Dan fronten wij die €1000 voor productie, maken we het boek, en moeten we nog €250 aan de auteur. Dat zijn geen onmogelijke bedragen. Als we een boek in offset steken van 200 exemplaren, dan wordt het moeilijker. Als de productiekost €4 per boek is, dan zit je aan €800, maar als ge uw boek aan €15 verkoopt en het zijn 200 boeken, dan moeten we meer dan €1000 fronten naar de auteur. Ik weet nog niet hoe we dat kunnen doen, maar het is wel de formule die we willen hanteren.
We denken ook aan een ‘pay what you want subscription model’, waar je je als lezer in het begin van het jaar inschrijft, wetende dat copyshop— minstens vijf boeken zal publiceren, en op het eind van het jaar mag je dan vijf boeken kiezen. Daarmee heb je een startbedrag om je boeken in productie te steken en je auteurs te betalen.
Mathijs: Dus je hebt het auteurscontract zelf aangepast, zodat dit er allemaal in staat?
Sébastien: Ja, wij hebben een jurist, Jens Van Lathem, die werkt bij Labo vzw en specialist is in auteursrecht. Als je iets nodig hebt, ga naar Jens. Ik had eerst zelf een auteurscontract geschreven en het naar hem doorgestuurd. Hij heeft toen geantwoord met ‘haha’ (gelach). Dat heeft hij dus herschreven, met onder andere een clausule voor het geval de auteur sterft, dat soort dingen. Ik had zoiets van wat, maar blijkbaar moet dat er wel echt in staan.
Mathijs: Denk je dat dit schaalbaar is, dat het modelcontract door zoiets vervangen zou kunnen worden?
Sébastien: Ja. Na de jaarrekeningen opgezocht te hebben van een paar uitgeverijen, ja. Ik denk het wel. Nu is er een gigantische discrepantie tussen de bestsellers en de mensen die net iets uitbrengen en niet gelezen worden. Ik vind dat niet fair. Ik vind dat echt een fout in hoe het werkt. Naargelang het drukbereik zouden er verschillende modellen moeten zijn. Wordt uw boek 250 keer gedrukt of 20.000 keer gedrukt? Je zou als uitgever moeten kunnen zeggen: kijk, nu zijt ge een bestseller aan het worden, nu krijg je wat minder.
Mathijs: Nu is het dus omgekeerd hé.
Dominique: Dat is echt absurd ja, de auteurs die het het meest nodig hebben, krijgen procentueel het minst.
Mathijs: Ik had het hier onlangs over met iemand die de sector goed kent. Waar volgens die persoon nog marge zit om extra procenten te sprokkelen, is bij distributie en opslag, omdat we in Vlaanderen wat dat betreft een slechte deal hebben. De meeste uitgeverijen werken voor distributie met het Centraal Boekhuis en kunnen eigenlijk niet anders omdat het CB zo goed als een monopolie heeft op distributie binnen de Nederlandse markt. Het probleem is dat het CB eigendom is van Nederlandse uitgeverijen, dus zij recupereren op die manier een heel stuk van hun distributiekosten, wat niet het geval is voor de Vlaamse uitgeverijen die met het CB moeten werken. Zij hebben zich in het verleden wel al proberen inkopen, maar dat wordt afgeblokt, wat een vorm is van protectionisme langs Nederlandse kant. Het is met andere woorden structureel duurder voor Vlaamse uitgevers om hun boeken te distribueren en te laten opslaan. Eigenlijk is het aan de Vlaamse regering om tegen de Nederlandse regering te zeggen dat hier sprake is van oneerlijke concurrentie en het monopolie van het CB moet worden opengebroken. En om de Vlaamse regering zover te krijgen, zou je achter de schermen een politieke coalitie moeten bouwen en daar in de media urgentie voor creëren.
Sébastien: Het oog van Sauron daarop zetten.
Mathijs: Ja. Maar het zijn dus dit soort materiële, structurele zaken die er mee voor zorgen dat Vlaamse uitgevers het lastig hebben en auteurs maar 10% overhouden op het eind van de rit. En om die reden kan het weer interessant zijn om na te denken over een koepelorganisatie voor kleine Vlaamse uitgevers, die mee druk kan zetten.
Sébastien: Kan de overheid dan niet aansporen om een Vlaams Boekhuis op te zetten?
Mathijs: Dat kan, maar dan zal dat Vlaams Boekhuis met al die Nederlandse boekhandels en concerns contracten moeten onderhandelen, en er is geen garantie dat zoiets lukt, of die boekhandels daar zelfs interesse in hebben.
Sébastien: Je hebt dat distributieprobleem ook in de Engelstalige context. Kijk naar Idea Books of Antennae books, die pakken daar ook een gigantisch percentage op. Dat is iets dat wij als kleine publishers natuurlijk niet hebben, distributie. Wij verkopen op book launches en artist book fairs. En mensen kunnen ons ook gewoon mailen en dan sturen we het boek per post.
Dominique: Ja, zo werkt Marktcorruptie ook, en wij hebben ook een kleine webshop. Het mailen heeft wel iets sympathieks natuurlijk, het persoonlijke contact.
Sébastien: Wij kregen wel al de vraag van boekhandels om onze boeken daar te leggen, maar dan willen ze 30% korting. Dat maakt het financieel wel heel moeilijk voor ons.
Dominique: Ja, ik heb daar ook een minder goede ervaring mee. Ik had eens een boekpresentatie van Marktcorruptie in een Nederlandse boekhandel en wilde daar zelf mijn boekjes verkopen, maar dat kon niet, het moest via hen, en ze wilden 40% van de verkoop. Om uit mijn productiekosten te raken, heb ik voor dat ene evenement de prijs moeten optrekken zodat ik hen die 40% kon geven. Achteraf heb ik een mail gestuurd om mijn ongeloof te uiten, dat ze niet begrepen dat Marktcorruptie DIY is zonder winstmodel en geen grote uitgeverij. Ik heb die boekjes zelf gemaakt, zelf geprint, ik verdien hier niks mee, en hoezo kunt ge u dan niet flexibeler opstellen? Maar dat ging helemaal niet. Dan krijg je dus elitaire publicaties die voor zodanig hoge prijzen verkocht worden dat enkel de usual suspects ze kunnen kopen. Dat is de situatie waarin je gedwongen wordt als je in boekhandels wil verkopen. Dus ja, ik vraag mij af of dat niet op een andere manier kan worden geregeld.
Mathijs: Er is een alternatief mogelijk, denk ik. Literatuur Vlaanderen heeft een regeling met literaire tijdschriften waarbij zij financieel instaan voor de distributie naar Vlaamse boekhandels. Boekhandels kunnen aan Literatuur Vlaanderen laten weten welke tijdschriften ze graag aanbieden, en dan sturen ze die tijdschriften gratis op. Wordt er iets verkocht, dan krijgt de boekhandel daar een procent op. Indien niet, dan kunnen ze het gratis terugsturen. Het is goed voor de tijdschriften, want zij hebben exposure, en het is goed voor de boekhandels, want zij kunnen er alleen maar geld aan verdienen. Misschien valt zoiets ook op te zetten voor boeken van heel kleine uitgevers.
Dominique: Ja, misschien zou zo’n structuur inderdaad een oplossing kunnen bieden. Want nu is er een kloof tussen kleine uitgeverijen en boekhandels.
Sébastien: Goh, ik voel me eigenlijk niet geroepen om mijn boeken in een boekhandel te leggen. Ik schrik er echt van hoe mensen in een winkel met boeken omgaan. Ik moet nu denken aan de Instagramstories van Arno Van Vlierberghe (die behalve dichter ook boekhandelaar is bij Paard van Troje, red.) die foto’s post van boeken die in de winkel door klanten zijn vernield en dan terug in de kast gezet. Sommige boeken die wij maken zijn te fragiel, die zouden dat niet overleven.
Mik: Er bestaan wel boekhandels die in zines gespecialiseerd zijn, ‘zinotheken’, die een ander soort klanten aantrekken. In Parijs heb je bijvoorbeeld Librairie sans titre.
Dominique: Ja, dat heb je in Luik ook, Le Comptoir du livre.
Sébastien: En Rile in Brussel.
Mathijs: Er is nog iets waar ik nu over zit na te denken, of dat ik me toch afvraag. Een kleine uitgeverij is sowieso een plek waar je aan artistiek experiment kan doen, dat zie je duidelijk aan wat jullie maken. Maar het kan misschien ook een plek zijn waar je experimenteert met het ‘instituut’ uitgeverij; de uitgeverij als vorm of sociale actor. De meeste uitgeverijen zijn hiërarchisch georganiseerd: de uitgever neemt de beslissingen en draagt de verantwoordelijkheid. Je kan daar natuurlijk alternatieve organisatiemodellen tegenover zetten, en een kleine uitgeverij kan een vorm zijn om dat te verkennen. Kijken jullie daar zelf op die manier naar?
Dominique: In theorie, ja, maar momenteel is dat moeilijk omdat ik alleen ben. Dat gaat wel veranderen eens wij samen dingen publiceren. Dat is wel spannend, om uit te zoeken wie welke rol op zich neemt en hoe we dat organiseren. Maar dat potentieel voor institutioneel experiment is er absoluut, ja.
Mik: Ja, voor mij is dat ook zo. We zijn non-hiërarchisch, er is niemand ‘de baas’ die finaal de beslissingen neemt. Als we samenwerken met een auteur of een vormgever dan worden zij tijdelijk deel van het collectief, en in het collectief is iedereen gelijk.
Sébastien: Wij zijn met drie en ieder heeft zijn rol: Tati de boekhouding, Tseu het maakproces en redactiewerk, en ik vormgeving en coördinatie. Dat ontstond eigenlijk organisch. In het begin liep dat meer door elkaar, maar na het eerste jaar zeiden Tati en Tseu dat ze meer nood hadden aan structuur. Ik had het daar eerst wat moeilijk mee, omdat ik vond dat we horizontaal moesten zijn. Maar uiteindelijk wil je mooie dingen maken en een positie in het landschap kunnen innemen, en dat vereist dat iedereen met zelfvertrouwen in hun rol staat. We verlichten het maakproces wel met vrijwilligers. Mijn partner en ik naaien bijvoorbeeld samen de boeken terwijl we in de zetel naar Netflix kijken. Dat is ook belangrijk, dat je iets aan vrienden en gelijkgezinden kunt vragen. Ik snap wel dat je zegt: de hiërarchische structuur van de reguliere uitgeverij is te rigide en monotoon. Maar het proces van het maken van een boek is te complex om geen hiërarchie te hebben. Als dat er niet is, verlies je tijd en resources en raakt iedereen gefrustreerd: de lezer, de uitgeverij, de auteur. Iedereen lijdt onder een niet-geoliede machine.
Dominique: Ja, je hebt iemand nodig die het overzicht bewaart en alle bewegende delen overschouwt. Maar dat hoeft niet pe se hiërarchisch te zijn in de zin dat één persoon dingen kan opleggen aan anderen.
Sébastien: Nee, dat klopt. We zijn nu ook aan het denken om mensen met specifieke expertise en strategische kennis van het veld te vragen om in onze raad van bestuur te komen. Want nu zitten wij gewoon zelf in de raad van bestuur, typisch Vlaams hé. Maar je hebt een kader nodig, een omgeving die je kan aanspreken en die mee kan sturen.
Mathijs: Zijn er, naast alles dat ondertussen al is gezegd, zaken waar jullie nood aan hebben of steun bij kunnen gebruiken? Wat kan de Vlaamse literatuur als gemeenschap voor jullie doen?
Dominique: We hebben de belangrijkste dingen gezegd, denk ik? Of al heel veel, in elk geval.
Mathijs: Iets waar ik zelf nog aan denk, is dat chapbooks of zines door Literatuur Vlaanderen voorlopig niet worden erkend als ‘echte’ boeken, waardoor je als auteur van zo’n publicatie ook geen dossier kunt indienen voor subsidies. Ik ontdekte onlangs dat dat in Franstalig België wel het geval is. Ze gebruiken daar de term ‘booklegs’ en die publicaties worden door La Direction des Lettres gewoon beschouwd als legitiem. En met die legitimiteit hangt eigenlijk veel samen, want het gaat ook over toegang tot literaire prijzen en uitgenodigd worden voor festivals en lezingen.
Dominique: Ook ja, dat is ook zoiets absurd. Toen Shop Girl verscheen werd ik meteen uitgenodigd om op te treden in Bozar. De programmator zei toen letterlijk: ik wou je eigenlijk al veel eerder vragen, maar ik moest wachten tot je een debuutbundel had. Iemand die nog niets heeft uitgegeven, of wel is uitgegeven maar dan bij een kleine, niet-reguliere uitgeverij zoals de onze, komt dus niet voor dat soort dingen in aanmerking. Ook al is het werk steengoed. En die auteur kan inderdaad ook geen subsidie aanvragen, of op de lijst komen van auteurslezingen (een regeling waarbij Literatuur Vlaanderen €100 toevoegt aan de gage voor een lezing, red.). Er bestaat een aparte regeling voor slam poetry, maar er is echt wel sprake van een artificiële kloof tussen gepubliceerde en niet-gepubliceerde auteurs die je niet anders kan omschrijven dan gatekeeping.
Mathijs: En of iemand al dan niet bij een reguliere uitgeverij gepubliceerd wordt, komt gewoonlijk neer op een platte kosten-batenanalyse: gaat dit werk voldoende verkopen? Dus wat de Vlaamse literatuur als gemeenschap kan doen, is misschien gewoon veel beter zorgen voor jullie auteurs?
Dominique en Mik: Ja, 100%.
Sébastien: Op elk vlak. Stoppen met de auteur als een bijzaak te zien en gewoon eens snappen dat er zonder auteurs geen boeken zijn.
Wil je graag reageren op dit gesprek? Stuur je bericht naar flemishreview@gmail.com. Inhoudelijke bijdragen kunnen we publiceren in het volgende nummer.
Bio’s:
Mieke ‘Mik’ Schelstraete (2001) is schrijver, beeldend kunstenaar en uitgever bij Zwarte Pagina. Schelstraete (zelf)publiceerde o.a. de prozabundel Het is nacht, altijd (2024), het kunstenaarsboek Dialogen (2024) en het essayboek DISIECTA MEMBRA (2024). Hun geschreven werk verscheen eerder al in De Revisor en op de website van het filmkritische tijdschrift Fantômas.
Sébastien Bovie (1995) stelt zich voornamelijk vragen. Aan de hand van die vragen schrijft die occasioneel teksten, die vorm vinden in boeken (Longing for Lo-fi (2023); Pondering in Latex (2022)), films en andere dragers die zich schikken naar de boodschap. Bij het oprichten van copyshop— in 2023 werd deze vragende positie gericht op het uitgeverslandschap in een zoektocht naar een soort verbinding en zorg.
Dominique De Groen (1991) is schrijver, beeldend kunstenaar en medeoprichter van Marktcorruptie, een label voor DIY-uitgaves. Bij het balanseer publiceerde ze de dichtbundels Shop Girl (2017), Sticky Drama (2019), Offerlam (2020) en Slangen (2022), die o.a. werden bekroond met de Jan Campertprijs en de Cultuurprijs van Stad Gent. Haar gedichten, fictie en essays verschenen in diverse tijdschriften, on- en offline. In maart 2026 verschijnt haar roman Corpus Britney.
Met dank aan Stefaan Goossens en PoëzieCentrum.
Overzicht van evenementen, publicaties en nieuws
Evenementen
31 oktober, Meet the author: Arundhati Roy (Brussel)
van 1 tot en met 30 november loopt de campagne Lisez-vous le belge ? Deze jaarlijkse actie zet Franstalige literatuur uit België in de kijker
1 november: Vertoning Room Temperature van Dennis Cooper en Zac Farley, in gesprek met Arno Van Vlierberghe en Obe Alkema (Gent)
2 november, ‘Verstafette’ op Boektopia, met Paul Demets en Liesbeth D’Hoker (Kortrijk)
2 november, Boekpresentatie Dichtletters van Meeusontwerpt en Dorien De Wit op Boektopia (Kortrijk)
4 november, SamenLezen in het Letterenhuis rond thema-expo Moeders (Antwerpen)
4 november, Poëziegesprek met jongeren door Hind Eljadid (Antwerpen)
4 november, Moya de Feyter in gesprek met Annelies Verbeke (Berchem)
5 november, Scrollen door strofes: een workshop over Instagram en poëzie met Else Boer (online)
5 november, Leesclub met Melani Reumers door deBuren en rokko (Gent)
6 november, Launch Making Kin II: Plants met Bianca Baldi, Catalina Imizcoz en Anastasia Eggers (Brussel)
7 november, Meet the author: Aya Sabi in Replica (Brussel)
8 november, Launch Fuck Me Judith met Claire Star Finch (Brussel)
9 november, Crossing Border Festival (Antwerpen)
9 november, Poëzie op zondagmorgen met Miriam Van Hee en Kees van Van Domselaar (Sint-Niklaas)
9 november, Verstafette met Lotte Dodion, Dorien De Vylder en Els Moors (Leuven)
12 november, Elena Medel en Beatriz Serrano in gesprek met Jana Antonissen (Brussel)
12 november, Silvie Moors in gesprek met Bart Moeyaert (Borgerhout)
12 november, Lezing ‘Instant follow, ontzettend mooi!’: Poëzie op TikTok door Jeroen Dera (online)
13 november, Een avond met Lara Taveirne (Laakdal)
13 november, Lezing door Kristien Hemmerechts — Terugkeer naar de kerk? (Kortenberg)
14 november, Boekpresentatie Tot nu toe van Alex Deforce (Gent)
14 november, Vrijdag Voorleesdag in de Krook: Seppe Decubber leest voor (Gent)
14 november: Flirt Flamand: Over Julian, met Fleur Pierets en Anne de Gelas (Brussel)
14 november, Flirt Flamand: Over Een revolverschot van Virginie Loveling, met Annelies Verbeke en Elisabeth Lejinse (Brussel)
15 november, Lectures électriques vers la Palestine (Brussel)
15 november, In het hart van Congo met Sandrine Ekofo Biyenga en Sibo Rugwiza Kanobana (Antwerpen)
15 november, Maurice Gilliams-lezing: Niets dan hevig wit, door Charlotte Van den Broeck (Gent)
15 november, Cecilia Pavón in gesprek met Jimena Casas in rile* (Brussel)
15 november, Boekvoorstelling ‘Verbruikt licht’ met Lara Pawson en Jan Dertaelen (Antwerpen)
16 november, Patrick Conrad en Pink Poets-wandeling, met Manu van der Aa (Antwerpen)
16 november, Lezing door Johan Vanhecke: Hoe Conscience zijn hart verloor in Balen (Balen)
16 november, Voorstelling van de VLOED-laureaten (Oostende)
18 november: How to write a city, workshop met schrijfster Elena Medel (Brussel)
18 november: Leesclub rond DJ Bambi van Ava Ólafsdóttir (Brussel)
18 november, Meet en Greet met Patrick Conrad en Manu van der Aa (Oostende)
18 november, Midi poésie met Aurélien Dony en Jérôme Paque (Brussel)
18, november, Apéro poésie met Serenella Martufi en Anna Ayanoglou (Brussel)
19 november, Lange lijnen, met Gaea Schoeters (Brussel)
19 november, Dirk Van Bastelaere meets John Baldessari (Brussel)
19 november, Goûter poésie met Agathe Yamina Meziani (Brussel)
19 november, Lezing ‘Poëziefilm?’ door Paul Bogaert en Jan Peeters (online)
20 november, Donderdagen van de Poëzie, met Anna Enquist (Antwerpen)
21 november, Verstafette met Alex Deforce, Billie Vos en Sarah de Koning (Aalst)
23 november, Passer l’été: ecopoëzie met Irène Gayraud en Véronique Roelandt (Brussel)
23 november, Sigrid Bousset bij Corman op bezoek met ‘Wat ik haar niet vertelde’ (Oostende)
25 november, Uitgelezen (Gent)
26 november, Thomas Mann, zijn werk, zijn familie. Lezing door Mary Watson-Kullmann (Brasschaat)
26 november, Meet the author Auður Ava Ólafsdóttir (Brussel)
27 november, Een avond met Ruth Lasters (Mortsel)
28 november, Bundelvoorstelling Tekstielen van Sarah de Koning, met Iduna Paalman, Hanna De Grave Loyson en Arno Van Vlierberghe (Gent)
28 november, Planetarium Slam Poetry Night + Open Mic (Laken)
28 november, Muzikale voordracht van het boek Relation door Alexis Alvarez en Gauthier Gilissen (Andenne)
29 november, Werkcongres van de Vlaamse Auteursvereniging (Antwerpen)
29 en 30 november, Les Fugueurs du livre (Luik)
30 november, Buiten bereik: de Poëtische Powerpoint door Lotte Lola Vermeer (Aarschot)
2 december, Grenzen: presentatie ‘nooit genoeg’ van Sharvin Ramjan (Gent)
3 december, Ida Börjel + Dominique De Groen (Gent)
4 december, Literair lunchgesprek met Ida Börjel (Gent)
4 december, Leo Pleysier, wereldschijver uit de Kempen (Schilde)
5 tot 7 december, Internationale Antiquarenbeurs België (Mechelen)
6 december, Boekvoorstelling Belgiques van Pascale Fonteneau (Brussel)
6 december, Boekpresentatie ‘Poëtica. ABC van de dichtkunst’ van Paul Claes (Gent)
6 december, Workshop Knipselpoëzie met Annelies Belemans (Gent)
6 december, Opening tentoonstelling ‘45-65. Jan Walraevens, kunstcriticus’ (Drogenbos)
7 december, 50 jaar Poëzie op Zondagmorgen (Sint-Niklaas)
7 december, Halte Poëzie: Charlotte Van den Broeck (Mechelen)
7 december, The Writer is Present #3 met Lieselot Mariën en Roderik Six (Oostende)
8 december, Moya De Feyter in gesprek met Gaea Schoeters (Berchem)
10 december, Echoes #2 met Peter Verhelst en Mattias De Craene (Brugge)
13 december, Belgisch kampioenschap poetry slam (Luik)
19 december, KANTL-colloquium: Correspondenties met Daniël Robberechts (Gent)
Nieuwe publicaties
In mij, de wereld. 35 gedichten voor jongeren (PoëzieCentrum, augustus)
Racha Mounaged, Les métamorphoses de Méduse (Complicités, augustus)
Els Moors, Voer voor struikrovers (Arbeiderspers, september)
Bernard Manciet, La Tentation de saint Antoine (L’Herbe qui tremble, september)
Liesbeth D’Hoker, Want straks komen de wolven (PoëzieCentrum, september)
Jo Gisekin, Hoe licht vibreert (PoëzieCentrum, september)
Pierre Garnier, Le beau temps (L’Herbe qui tremble, september)
Annelies Belemans, Elke dag poëzie ik je liever (Pelckmans, september)
Luc Vanhie, Het lavablad van de lente (Uitgeverij P, september)
Els Vos, De nacht keert (Uitgeverij P, september)
Peter Holvoet-Hanssen, Roodvos (Pelckmans, september)
Gwen Guégan, Claire obscure (Le Chat polaire, september)
Pascal Feyaerts, Venir à soi (Le Coudrier, september)
Maarten Embrechts, Le non avenu (Blue d’encre, september)
Sandrine Verstraete, Kamers (het balanseer, oktober)
Dirk Van Bastelaere, Een revolver zonder vervolg, net als de volgende revolver (het balanseer, oktober)
Peter Verhelst, Nachtatlas (De Bezige Bij, oktober)
Collectief Les ThéraPoétiques, S’ancrer (maelstrÖm en ThéraPoésie, oktober)
Alex Deforce, Tot nu toe (PoëzieCentrum, oktober)
Paul Demets, Moederkoren (PoëzieCentrum, oktober)
Elise Vos & Eddy Verloes, Van alles de laatste (Uitgeverij P, oktober)
Dorien De Vylder, Duizend versies klaar water (Pelckmans, oktober)
Claudine Bohi, Toute la mer (L’herbe qui tremble, oktober)
Max Alhau, Au jour le jour (L’herbe qui tremble, oktober)
Pascale Fonteneau, Kenan Görgün, Corine Jamar en Alexandre Millon, Belgiques (Ker Éditions, oktober)
Vertalingen
Daniël Heinsius, Monobiblos, vert. uit het Latijn door Harm-Jan van Dam (Uitgeverij P, juni)
Inge Braeckman, Sous les oliviers de Lesbos et autres poèmes, vert. Jan H. Mysjkin (Tetras Lyre, september)
Kae Tempest, Paradijs, vert. Gaea Schoeters en Nathalie Tabury (PoëzieCentrum, oktober)
Secundair werk
Andreas Van Rompaey en Guy van Hoof, Willem M. Roggeman, een dichter zonder grenzen (Uitgeverij Liverse, september)
Manu van der Aa, Patrick Conrad. Leven, liefdes en werken van een Pink Poet (Pelckmans, oktober)
Sigrid Bousset, Wat ik haar niet vertelde (De Bezige Bij, oktober)
Nieuws
Het Liegend Konijn houdt er na 23 jaar mee op.
Minister Gennez schaft de Ultima’s (vroeger de Staatsprijzen) af.
Zware besparingen voor KANTL (meer aandacht hiervoor in de volgende FRP!)

